Wat onderzoek ons leert over reewildbeheer Het onderzoek is gehouden in een ca. 160 ha groot gebied; 80 ha bos dat als een eiland ligt in een groot weiland- en akkergebied. In Baden-Württemberg op de Schwäbischen Alp, want voor dit Bundesland is Dr. Manfred Pegel de baas van de ‘Wildforschungsstelle’.
In het zeven jaar durende onderzoek heeft het onderzoeksteam verschillende populatieparameters gebruikt en methoden ingezet. Zoals: merken van reekalveren, telemetrisch onderzoek (zenderen), ‘capture-mark-recapture’, het invoeren van systematische populatieberekeningen in de verschillende seizoenen en massale drijfjachten om in het bos de reeën te tellen.
In de eerste fase van het onderzoek werd de populatie reeën in de winter intensief bijgevoerd, in de tweede onderzoeksfase daarentegen in het geheel niet. Het doel van het onderzoek was om vast te stellen welke invloed het bijvoeren heeft op de populatieontwikkeling en de schade op de bosvegetatie en bosontwikkeling. De reeënpopulatie werd extensief bejaagd. Het afschot lag elk jaar ver onder de aanwas. Desondanks bleven de geiten maximaal reproduceren*. De getelde en berekende voorjaarsstand bij de aanvang van het onderzoek was extreem hoog, 81 stuks op 100 ha bos. Na zeven jaar, tegen het eind van de onderzoeksperiode, was de voorjaarsstand met de helft teruggelopen. Niet de jacht, maar het stoppen met voeren moeten we als hoofdoorzaak daarvoor aanmerken. Ook had het stoppen met bijvoeren geen enkele invloed op de mortaliteit, noch op de lichaamsontwikkeling van de reeën en evenmin had het invloed op de aanwas. Belangrijk is hierbij om op te merken dat in het kleine gebied het natuurlijke aanbod van voedsel voor alle reeën in elk seizoen ruim voldoende was, het bijvoeren betekende een surplus. Waar de onderzoekers wel een significante verandering opmerkten was ten aanzien van de emigratie, die nam aanzienlijk toe in de tweede fase van het onderzoek: toen ze gestopt waren met het bijvoeren. Zelfs vast territoriale reegeiten wandelden met haar kalveren naar een andere bestemming. Ook tegen de verwachtingen in nam, na het stoppen met voeren, de schade aan de jonge bosontwikkeling niet toe. Het onderzoeksteam heeft na afsluiten van het onderzoek moeten concluderen dat het reeënbestand zichzelf reguleerde. Een vast percentage natuurlijk door een natuurlijke dood, maar de emigratie bleek de bepalende factor in de bestandsregulatie. Hoofdzakelijk waren het de éénjarige dieren die emigreerden. De onderzoekers hadden de gegevens gekregen om een dichtheidsafhankelijk percentage te kunnen berekenen, met name voor de zomermaanden. En daarmee konden zij bewijzen dat een reepopulatie zich door emigratie op peil houdt en niet door een (verwachte) afname in reproductie of een (veronderstelde) toename van de sterfte. Allen die zich met reeënbeheer bezighouden mogen uit het onderzoek de volgende conclusies trekken: – Door bijvoeren wordt de lokale dichtheid van het reeënbestand beïnvloed. Bijvoeren (afhankelijk van de draagkracht van een gebied) was in het onderzoeksgebied niet nodig, eigenlijk zinloos. – De hypothese dat je in een bos de schade aan de bosontwikkeling beperkt houdt door bij te voeren is gebleken op aannames te berusten. – In een gebied waar niet serieus aan beheer wordt gedaan door middel van bestandsregulatie is het aan te nemen dat het grootste gedeelte van de éénjarige dieren emigreert. ** Wordt er wel serieus en weloverwogen aan bestandsregulatie gedaan, dan is het advies van de onderzoekers de smalreeën en de jaarlingbokken zo vroeg mogelijk in het jachtseizoen te schieten. Dit geldt alleen bij gebieden met een uitstekende voedselsituatie (die 80 ha bos omgeven door een akkerland en weidegebied van 80 ha). Algemeen concludeert het onderzoeksteam dat tellen in bosgebieden een ondoenlijke zaak is. Alleen met heel veel mankracht en de inzet van wetenschappelijke hulpmiddelen (telemetrie) is een redelijk goed inzicht te krijgen in de aantallen reeën die in het bos leven. De draagkracht en daarmee de omvang van de populatie zijn plaatselijk en seizoensmatig behoorlijk variabel. De sterfte en geboorte van de dieren verschillen per jaar aanzienlijk. Een afschotplan op basis van aannames en een enkel vast gegeven draagt er niet toe bij om een maatschappelijk geaccepteerde wilddichtheid te waarborgen. In Baden-Württemberg werkt men nu met het zogenaamde ‘Forstliche Gutachten’, en dat blijkt een prima hulpmiddel te zijn bij de berekening van het afschot. “Forstliche Gutachten’ mag je vertalen door ‘voor de bosbouw geaccepteerde reeënvraat aan de boompjes’. Wat leren we hier nu van en wat zet dit onderzoek op losse schroeven? Bijvoorbeeld: omdat een populatie met hoge dichtheden zich hoofdzakelijk in stand houdt door emigratie is het wel nodig dat de dieren moeten kunnen emigreren. Zet je een raster of andere emigratiebelemmerende inrichting om een bos, dan stimuleer je een vroegtijdige en door de mens veroorzaakte hongerdood. Doordat de jonge dieren emigreren en daarmee de stand op peil houden blijft het percentage natuurlijke sterfte op een normaal niveau. Ook nu weer geeft een emigratiebelemmerende maatregel een onnatuurlijk groot aantal dode dieren in het bos. Het is maar de vraag of dan deze toename van biomassa een zinvolle bijdrage levert aan het “natuurlijke” van een bos. Capreolus komt hier in een later nummer op terug.
Donald Buijtendorp Onderzoek kan soms alle gevestigde en vastgeroeste meningen aangaande het beheer van reeën onderuit halen. Jarenlang denken we te weten hoe een populatie reeën in een eilandachtige leefomgeving zich ontwikkelt en hoe het zich in stand houdt. Komt daar een gedegen onderzoek uit Baden-Württemberg van de wildbioloog Dr. Manfred Pegel. Alles staat opeens op losse schroeven. Niet alleen omdat er dingen gebeuren die we niet hadden verwacht, maar ook methoden en effecten van beheermaatregelen worden in een ander daglicht geplaatst. Doen we het dus wel goed, wij reeënbeheerders? Doen de bekende en toonaangevende natuurbeschermingsorganisaties het wel goed? Zijn de beheermaatregelen die wij nemen wel valide? In een volgend nummer gaan onze Capreolus’ specialisten, Rik Schoon en Gerrit Jan Spek uitgebreid in op de uitkomsten van Pegel’s onderzoek. Een stevige analyse zal het worden, maar voor nu wil ik een klein uittreksel aan u presenteren.
In Capreolus nr. 44 hebben we al iets geschreven over het onderzoek van Manfred Pegel; een vertaald en bewerkt artikel van Dr. Stefan Fellinger.
* Deze uitkomst stemt overeen met het onderzoek in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Een reeënpopulatie stuurt zich dus niet met een gereduceerde reproductie. Nee, die blijft maximaal. Voor reeën beherend Nederland is dit wel de belangrijkste conclusie die tot nu toe uit een onderzoek is gekomen. ** Het kunstmatig in rasters houden van een reeënpopulatie leidt uiteindelijk tot verhoogde sterfte; laatst genoemde sterfte is daarmee ook een artefact en geen natuurlijk verschijnsel. |