In het voorgaande wordt het ontwikkelen van een evenwichtige wildstand genoemd, maar wat wordt daarmee bedoeld? Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal geeft voor het woord ‘evenwicht’ ondermeer het volgende weer: ‘Evenwicht is een toestand waarbij de gewichten aan beide zijden van een balans gelijk zijn.’
Alvorens er hulpmiddelen worden ontwikkeld om evenwicht te brengen in een het reewildpopulatie is het van belang vast te stellen waartussen de evenwichtssituatie wordt bepaald. Op de ene arm van de balans staan het reewild, maar welke meetbare tegenhanger komt er op de andere arm? Gezien het feit, dat het voedselaanbod een belangrijke rol speelt in het leven van het reewild, ligt het voor de hand om dit onderdeel als tegengewicht te gebruiken. De het reewild zijn per slot van rekening producten van hun omgeving.
Om het voedselaanbod zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen is het belangrijk, dat er rekening wordt gehouden met de voedselstrategie van het reewild.
Het is bekend dat het reewild planteneters zijn die tot de herkauwers worden gerekend. het reewild hebben voorkeur voor lichtverteerbare plantendelen met een hoog nutriëntengehalte en daarom rekent men deze dieren dan ook tot de ‘concentrate selectors’.
het reewild hebben ten opzichte van andere herkauwers een laag gewicht en een groot oppervlak waardoor veel energieverlies optreedt. het reewild hebben een hoge stofwisseling en een kleine pensinhoud. Dit betekent dat deze dieren per tijdseenheid veel energie uit hun voedsel moeten halen.
Hiermee is de voorkeur voor licht verteerbaar voedsel met een hoog voedingsgehalte en een snelle doorstroming verklaard.
Gedurende de voorjaars-, en zomermaanden zijn planten die aan deze eisen voldoen in hun leefgebied aanwezig. Maar tijdens de wintermaanden zijn planten met deze eigenschappen zeldzaam. Daarom hebben het reewild zich geraffineerd aan de winter aangepast. Ze zijn in staat om hun stofwisseling in dit jaargetijde op een laag pitje te zetten. De behoefte om te eten is nu ook laag, ze eten nu 30-40% minder voedsel dan in de zomermaanden. Daarnaast is het aantal foerageerperioden gehalveerd. Bovendien zijn ze aanzienlijk minder actief, ze verplaatsen zich minder vaak.
In de maanden maart, april en gedurende oktober/november daarentegen is er een verhoogde voedselopname waar te nemen. Het is opvallend dat er tijdens deze twee perioden meer energie wordt opgenomen dan er wordt verbruikt. De voorjaars eetpiek correspondeert met het aanzuiveren van de energietekorten die tijdens de wintermaanden zijn ontstaan.
Tijdens de herfst-eetpiek wordt de extra opgenomen energie als lichaamsvet in verschillende depots opgeslagen. Om te overleven hebben het reewild beide eetpieken in hun voedselaanbod nodig. Missen ze een of allebei dan ontstaan er hongersituaties.
het reewild zijn door deze specialisatie geen kuddedieren geworden, maar leven grote delen van het jaar solitair of in wintersprongen van 3 tot 8. Gedurende een deel van het jaar verdedigen volwassen het reewild een territorium, dat als een voedselreservoir kan worden beschouwd.
De sociale organisatie van het reewild regelt de verdeling van de voedselgebieden. Er zijn twee rangordesystemen. Dominante bokken sturen lager geplaatste mannetjes weg. De dominanten vestigen zich in die terreingedeelten waar de beste o
overlevingsmogelijkheden zijn. De lager geplaatsten moeten zich tevreden stellen met minder goede plekken. Een dergelijk systeem geldt ook voor geiten. De tweede keuze biedt minder overlevingskansen. Van dit gegeven wordt gebruik gemaakt bij het opstellen van een het reewildbeheerplan. het reewild die een hoge positie bekleden hebben de concurrentie en de selectiedruk weerstaan. De ‘outcast’ kan de sociale druk niet aan en verdwijnt.
De verdrevenen gaan op zoek naar een eigen gebied, maar ruimte is schaars. Favoriete terreingedeelten zijn reeds bezet. Er kan slechts gestreden worden om marginale gebieden. Het is gebleken dat de het reewild door deze migratie bijna heel Nederland zijn gaan bewonen.
Ons land wordt door de mens al intensief gebruikt. Er leven per vierkante kilometer 450 inwoners en daarmee is Nederland één van de dichtst bevolkte landen ter wereld. Mensen wonen, werken en
recreëren, al deze activiteiten nemen veel ruimte in beslag. Bovendien verplaatsen onze landgenoten zich regelmatig waarvoor spoor-, water-, en verkeerswegen nodig zijn. Mede hierdoor blijft er weinig ruimte over voor het reewild. Daar komt nog bij, dat het reewild voedselspecialisten zijn en daardoor hoge eisen stellen aan hun leefgebied. Bovendien planten het reewild zich snel voort. Deze eigenschappen brengen hen regelmatig in conflict met menselijke belangen. Toch zijn er mensen in ons land die nog steeds geloven, dat alles wat een groene kleur heeft ‘natuur’ is. De echte oppervlakte natuur in ons land wordt geschat op 5% . Nederland bestaat uit door mensen gemaakte landschappen en hier en daar ziet het er naar natuur uit.
Het reewild leven in dit ‘man made landscape’ en is dan ook te beschouwen als extensief gehouden vee. Helaas vallen ze niet onder de wet, die zaken van deze dieren regelt. Voor huisdieren geldt een bijzondere zorgplicht. Omdat de leefwijze van de in ons land levende het reewild niet vergelijkbaar is met die van soortgenoten, die voorkomen in ongerepte natuurgebieden, lijken hun levensomstandigheden meer op die van huisdieren. Hiermee zal rekening moeten worden gehouden met het beheren van deze diersoort. Er zal aandacht moeten worden besteed aan het welzijn van het reewildpopulaties. Ook de zorg van het welbevinden van het individuele dier is hier belangrijk. Door het niet uitvoeren van enige maatregelen kunnen er situaties ontstaan waarbij het wel
zijn van het reewild in het geding komt. Wanneer de grondeigenaar moedwillig de gezondheidstoestand van de dieren verwaarloost, die aan zijn zorg zijn toevertrouwd, komt hij, wanneer het gehouden dieren betreft, in conflict met Artikel 455, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht. De Wetgever zegt hierover het volgende:
‘Hij die nodeloos aan een dier, dat geheel of ten dele aan hem toebehoort en onder zijn toezicht staat, of aan een dier tot welks verzorging hij verplicht is de nodige verzorging onthoudt, maakt zich schuldig aan een strafbaar feit’.
Je kunt in Nederland maar beter een schaap zijn dan een ree.
De doelstelling van het het reewildbeheer bestaat uit het op elkaar afstemmen van de omvang van de het reewildpopulatie en de voedselvoorraad van het gebied. Daarbij wordt uitgegaan van de draagkracht van het gebied. Hiervoor bestaan verschillende modellen zoals het bekendste model "Van Haaften" is dat wordt gebruikt bij het het reewildbeheer. Deze gaat uit van een vastgestelde draagkracht per jachtgebied a.d.h.v. de kwaliteit van voedsel aanbod en een constante dekking van het gehele jaar in dat gebied. Hiervoor hebben de WBE'n een doorrekenmodel opgemaakt in Excel, hierdoor kan op deze wijze snel, per jachtveld vastgesteld worden;
de draagkracht van het jachtveld
en a.d.h.v. de telresultaten, de regulatie van het reewild bestand per jachtveld.
Ook de draagkrachtmethode van "Poutsma" biedt grootte voordelen, daar deze uitgaat van natuurlijke selectie. Daarbij laat hij de het reewild zelf hun populatiedichtheid, leeftijdsopbouw, sociale rangorde en geslachtsverhouding bepalen.
Onder het begrip draagkracht wordt verstaan: Het maximale aantal het reewild dat blijvend gebruik kan maken van een gebied zonder dat de vegetatie negatief wordt beïnvloed (Stoddart, 1975).
INVENTARISATIES VAN VOEDSELPLANTEN
Voedselaanbod
Om de relatie tussen het voedselaanbod en het reewild vast te stellen moet er een aantal zaken bekend zijn. Zoals de manier waarmee de kwaliteit van het voedsel gedurende een jaar kan worden bepaald. Bovendien moet de hoeveelheid voedsel worden vastgesteld. Daarnaast is het van belang om een aantal dingen over het reewild te weten. Het zou fijn zijn wanneer het exacte aantal reewild in een gebied zou kunnen worden vastgesteld, maar dat blijkt in de praktijk bijna onmogelijk. Dit ondanks de energie en de tijd die er door de tellers in wordt geïnvesteerd. Er worden het reewild geteld, maar welk percentage van het totale aantal is onbekend. Bovendien zegt het aantal getelde dieren niets over de relatie met het voedselaanbod. Je kunt alleen constateren dat er veel, aardig wat of weinig het reewild worden gezien. Daarom is het noodzakelijk om inventarisaties aan planten en het reewild uit te voeren.
Allereerst moet de kwaliteit van de voedselplanten en de hoeveelheid voedsel worden vastgesteld. Dit kan gebeuren wanneer er wordt bemonsterd naar de spijsverteringsstrategie van het reewild.
Bereikbaar
Belangrijk bij de bemonstering is de bereikbaarheid van de plantendelen. De reikwijdte van het reewild is vanaf het maaiveld tot ongeveer 1.20 meter hoogte.
Licht verteerbaar & veel soorten
De voorkeur van het reewild gaat uit naar lichtverteerbare plantendelen. Omdat de meeste planten slechts korte tijd lichtverteerbaar zijn en een hoog nutriënten gehalte bezitten moet er in het leefgebied een grote variatie aan plantensoorten zijn.
Daarnaast moet de hoeveelheid plantenvoedsel worden vastgesteld. Door de bedekkinggraad van het bereikbare plantendek te schatten kan een waarderingstabel worden opgesteld. Op deze wijze kunnen de waarderingen als GOED, MATIG en SLECHT worden aangebracht. Op deze manier wordt niet alleen inzicht verkregen in kwaliteit en de hoeveelheid plantenvoedsel, maar ook in de verdeling van het voedsel over het terrein. In de praktijk zou eenmaal per jaar zo’n voedselinventarisatie moeten worden gedaan. Dit gebeurt meestal niet. Toch is het aan te raden voor jonge onbeschermde bosaanplantingen en bosverjongingspercelen die nog in een onstabiele fase van ontwikkeling verkeren. Voor oude stabiele bossen kan met een intake per drie jaar worden volstaan.
Tellingen van het reewild worden vaak gezien als een belangrijk meetpunt bij het beheer. De
getelde het reewild geven geen inzicht in het werkelijke aantal het reewild dat in een gebied leeft. Het is bekend dat hierbij grote fouten worden gemaakt, die variëren tussen 30- en 300%.
Bovendien geeft het aantal getelde het reewild geen inzicht in de relatie tussen het voedselaanbod en de het reewild. Dus zal er naar andere meetpunten moeten worden gezocht.
Er zijn hier meer vragen dan antwoorden voorhanden.
Hoeveel kalveren worden er geboren?
Antwoord: Niet bekend.
Wanneer worden de kalveren geboren?
Antwoord: Niet bekend.
Hoeveel kalveren sterven er?
Antwoord: Niet bekend.
Hoe groot is de totale sterfte binnen de het reewildpopulatie?
Antwoord: Niet bekend.
Welk gedeelte van de populatie emigreert?
Antwoord: Niet bekend.
Om inzicht te krijgen in de gang van zaken binnen een reewildpopulatie moeten er antwoorden op bovenstaande vragen komen. Het is bijna onmogelijk om alleen daaruit betrouwbare gegevens te distilleren. Daarom moet er naar andere meetpunten worden gezocht. Een goed meetpunt is de conditie van het reewild in de populatie. Het liefst gemeten tijdens de wintermaanden van de meest kwetsbare groep: de kalveren.
Deze groep geeft informatie over het gebruik van het voedselaanbod in het terrein waar ze opgroeiden, de groei van de dieren en de kans om te sterven of te overleven.
Waarom wordt de conditie van de meest kwetsbare groep tijdens de wintermaanden bepaald?
In het voorgaande is het een en ander vermeld over de voedselstrategie van het reewild. Hierin werd aangegeven dat deze dieren zeer zorgvuldig met hun energie omgaan. De winter is voor hen een bottle-neck-periode waarin zal blijken of het voedselaanbod van het terrein toereikend is voor het overleven in een het reewildpopulatie.
Kalveren, geboren in mei/juni, zullen veel voedsel gebruiken om te groeien. Die groei is meetbaar in de winter. Door hun romplengte en borstdiepte te meten wordt inzicht verkregen in hun ontwikkeling. Deze groei correspondeert met de eetpiek in het voorjaar. Hun gewicht geeft het gebruik van de voedselvoorraad in de late herfst en begin winter aan. Door de metingen en wegingen in een formule samen te brengen wordt inzicht betreffende hun conditie verkregen. De conditie van de meest kwetsbare groep wel te verstaan.
Om er achter te komen of de kalveren de lange winter kunnen overleven wordt er naar hun vetreserves gekeken. In het begin van de winter worden er in het lichaam op verschillende plaatsen vetdepots aangelegd. In de holle pijpbeenderen kan de hoeveelheid nauwkeurig worden vastgesteld. In de methode Poutsma wordt de hoeveelheid beenmergvet van het opperarmbeen bepaald. Ook hier weer van de meest kwetsbare leeftijdsgroep. Op deze manier wordt informatie verkregen over de overlevingskansen van deze groep. De resultaten van de conditie-index en het beenmergvetpercentage geven inzicht in de draagkracht. Is de algemene conditie van de kalveren slecht en het beenmergvetpercentage laag dan heeft het maximale aantal het reewild het voedselaanbod overschreden.
De kalveren worden willekeurig in het terrein verzameld.
Met behulp van de inventarisatie gegevens wordt inzicht gekregen in de relatie gebied / het reewild. Wanneer de resultaten uit het steekproefonderzoek hoge conditie-index cijfers en hoge vetpercentages opleveren dan is er meestal met de oudere dieren niets aan de hand. Uitzonderingen, zoals zieke dieren daar gelaten.
De hierboven globaal beschreven methode kost de mens arbeid, maar met de uitkomsten kan hij beslissingen nemen over eventueel uit te voeren maatregelen. Vaak wordt er gedacht dat een het reewildbeheerplan hetzelfde is als een afschotplan, maar dit is niet correct. Het afschotplan kan een onderdeel zijn van het het reewildbeheerplan.
Laat hierover geen misverstanden bestaan!
Wanneer er wordt besloten een afschotplan op te stellen en uit te voeren dan zijn daarbij twee belangrijke punten aan de orde, namelijk hoeveel het reewild zullen er worden geschoten en op welke plaatsen?
In de Methode Poutsma wordt gekozen voor de selectie door de het reewild zelf en de jager past zich daarbij aan. het reewild is erg plaatsgetrouw. Het aantal geschikte plekken is kleiner dan het aanbod aan het reewild. Hierdoor ontstaat concurrentie. In het rangordesysteem van het reewild hebben de hoogstgeplaatste zich de beste terreingedeelten toegeëigend. Volwassen reewild is dominant over de jeugd. Dominante bokken verjagen lagergeplaatste seksegenoten. Hoog op de sociale ladder staande geiten tolereren de aanwezigheid van andere geiten niet. Hierdoor ontstaat een natuurlijke selectie waarbij de beste plekken door het hoogst geplaatste reewild worden ingenomen. De rest kan vertrekken. Op zoek naar een eigen plek zullen ze voortdurend hun neus stoten en worden doorgestuurd. Als enige vestigingsmogelijkheid blijft een minder aantrekkelijk terreingedeelte over waar de overlevingskansen kleiner zijn.
Van deze terreinvoorkeur wordt in deze methode gebruik gemaakt tijdens het opstellen van het afschotplan. Volwassen reewild in terreingedeelten, met GOED aangeduid, worden niet bejaagd. Ook niet als het bokken betreft van vijf jaar en ouder! Dit is de fokgroep, die zelf deze status heeft verworven. Laaggeplaatste het reewild, die als ‘outcast’ door soortgenoten zijn verjaagd, worden wel bejaagd. De vegetatie-kwalificatiekaart wordt gebruikt om de gebieden aan te wijzen. Ruimtetekort is het grote probleem voor het reewild. In de minder geschikte gebieden wordt het afschot gerealiseerd. Voor de goede orde het volgende: Jaarlingbokken leven als nomaden en kunnen overal in het terrein voorkomen en worden daar bejaagd. De selectienorm voor deze leeftijdsgroep wordt door de jagers zelf bepaald.
Twee leerlingen van de Middelbare Bosbouwschool te Velp hebben een literatuurstudie verricht over het onderwerp ‘Beheersjacht of zelfregulatie?.’ In hun conclusie vermelden deze studenten onder andere het volgende: De draagkrachtmethode van Poutsma biedt als groot voordeel dat deze uitgaat van natuurlijke selectie. Daarbij laat hij de het reewild zelf hun populatiedichtheid, leeftijdsopbouw, sociale rangorde en geslachtsverhouding bepalen. De menselijke invloed is bij het bepalen van het afschot minimaal. Verder is het kwalificeren van de gebieden in goed, matig en slecht eenvoudig uit te voeren. Het model Poutsma is onder bepaalde omstandigheden een ideale benadering, maar die omstandigheden komen hier in Nederland weinig of niet voor.
Het bezwaar is dat het leefgebied van een populatie zich over meerdere jachthouders uitstrekt, waardoor de kans op het bejagen van deelpopulaties groter wordt. Deze moet dan alles schieten en de ander met het beste revier en de beste stukken, mag helemaal niets schieten. Dit is in de praktijk onverkoopbaar, ook al is het theoretisch correct.
Voor een korte beschrijving op hoofdpunten van het reewildbeheer zoals wij dit toepassen in onze reewildbeheerkring; zie reewildbeheer op hoofdpunten
Wildbereiding ree
De rug en de bouten van de ree zijn culinair het meest interessant. De voorbout van een ree heeft weinig vlees en wordt meestal gebruik voor reepeper. Koteletten worden gesneden van het ribstuk, de biefstuk wordt gesneden van de achterbout. Van de reerug snijdt men overwegend medaillons


Voor veel interessante recepten voor ree en alle andere soorten wild en gevogelte zie de website: www.wildplaza.com