![]() |
|
Reewildbeheer op hoofdpuntenWBE SUSTEREN/GRAETHEIDE
Voorjaarstelling Het meest geschikte tijdstip om de avond-ochtend-avond telling uit te voeren is eind maart / begin april. De reeën staan in dien tijd in gemengde groepen bijeen en laten zich goed zien. Reeën zijn vooral actief in de ochtend- en avondschemering. Een telling kan daarom het best worden uitgevoerd gedurende de vroege ochtend tot twee uur na zonsopkomst, en in de avond vanaf twee uur voor zonsondergang. Door de telling drie maal achtereen (avond-ochtend-avond) te organiseren, is men wat minder afhankelijk van de weersomstandigheid van dat moment. Die kan namelijk het telresultaat nogal behoorlijk beïnvloeden. Wanneer de omstandigheden daarom vragen is het ook mogelijk een ochtendavond- ochtend telling te organiseren. Het is van belang van iedere waargenomen groep de samenstelling in bokken, geiten en bok- en geitkalveren te noteren. In combinatie met plaats en tijdstip kunnen dan mogelijke dubbeltellingen worden voorkomen. Wanneer bijvoorbeeld de eerste avond op plaats X een geit met een bokkalf en een geitkalf wordt gezien en de avond daarop op dezelfde locatie een geit met twee bokkalveren, dan is duidelijk dat het om twee verschillende geiten met kalveren gaat. De vorm van de spiegel (let op het ‘schortje’ bij de geiten) is een betrouwbaar onderscheidend geslachtskenmerk. Wanneer men bijvoorbeeld vanwege de afstand dit onderscheid niet goed kan maken, behoren de waargenomen dieren in de kolom ‘onbekend’ te worden vermeld. Door van iedere telling de hoogste score te nemen per bok, geit, bokkalf en geitkalf, wordt een totaalscore van een telgebied verkregen. Jaarrondtelling Los van deze voorjaarstelling wordt aanbevolen tevens een jaarrondtelling te realiseren. Deze kan worden uitgevoerd door hen die veel in het veld aanwezig zijn. Hierdoor krijgt men een beter inzicht in de verspreiding van de reeën en daarmee van het leefgebied in de zomer en winter, in de aanwas en in de conditie van de dieren. Vaststellen afschot Wanneer de uitkomst van de voorjaarstellingen boven de berekende draagkracht ligt, zullen er jaarlijks een aantal dieren uit de populatie moeten worden weggenomen. Hoeveel dat er zijn is niet exact aan te geven. Maar de tellingen en de verwachte reproductie geven wel houvast om dat aantal bij benadering te bepalen. Uit het aantal in het vroege voorjaar aanwezige reegeiten en de verwachte reproductie kan een schatting worden gemaakt van de netto aanwas. Die netto aanwas kan van terrein tot terrein nogal verschillen, afhankelijk van bijvoorbeeld de invloed van predatie en valwild. Voor de berekening van de aanwas kan worden uitgegaan van een gemiddelde van 85 procent van alle vrouwelijke dieren (inclusief smalreeën). Wanneer het doel is de populatie (voorjaarsstand) op het huidige niveau te houden, dan zal het aantal dieren dat uit de populatie moet worden weggenomen in dezelfde orde van grootte moeten liggen als het aantal dieren dat er jaarlijks bij komt (aanwas). Wil men evenwel de stand verhogen, dan zal het afschot moeten worden verminderd. Voor het verlagen van de gewenste voorjaarsstand, zal het afschot juist moeten worden verhoogd. Vaststellen afschot op basis van uitkomst tellingen, gewenste stand en verwachte aanwas Aantalregulatie In een natuurlijke situatie vindt de grootste sterfte plaats onder de jonge, oude en verzwakte dieren plaats. Bij de regulatie van de aantallen kan daarom worden vastgehouden aan een verdeling van het afschot van 50 procent in de kalveren en 1-jarige dieren. Voor het behoud van de sociale structuren in de populatie komt de vakkundigheid van de reeënbeheerder om de hoek kijken.
Om met de laatste te beginnen: schiet altijd eerst het kalf of de kalveren en daarna pas de geit. Reekalveren hebben in hun eerste levensjaar de geit nodig voor hun lichamelijke en sociale ontwikkeling. Hoewel de kalveren zonder geit wel overleven, verloopt de ontwikkeling onder de hoede van de geit beter dan wanneer het kalf afhankelijk is van de acceptatie door soortgenoten in de sprong. De rest van het afschot kan dan worden verdeeld onder slecht in conditie zijnde dieren, aangevuld met de minst sterken onder de tweejarige dieren en dieren ouder dan 5 jaar. Op deze wijze wordt de sterke sociaal dominante leeftijdsklasse van 3-5 jaar zoveel mogelijk gespaard. Van belang is dat het toegewezen afschot, ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Dit geldt met name voor de bestandsreductie van het vrouwelijke reewild. Het realiseren van het noodzakelijke, op basis van het faunabeheerplan door de provincie toegewezen afschot is van groter belang dan selectie op zesenders, gaffels of spitsers. Bij populatiebeheer geldt immers het credo: ‘Zahl vor Wahl’.
Door het afschot te registreren kan voor het faunabeheerplan worden voldaan aan art.10 h Besluit faunabeheer. Beheer vrouwelijk reewild De afschotperiode van het 'ree-kaalwild' (geiten, smalreeën en kalveren) valt in de winter, de periode waarin de dieren in sprongen leven. De wijze van afschot dient daarom afgestemd te zijn op de leefwijze en het gedrag van reeën in deze sprongen. Voorop staat de aantalsregulatie, daarnaast moet de reeënbeheerder oog hebben voor de sociale structuur van een sprong. Kurk van de populatie Reegeiten vormen de kurk waarop de populatie drijft. In het voorjaar nemen ze territoria in waarin de kalveren worden grootgebracht. In de herfst en de winter loodsen de volwassen reegeiten de jonge geiten, smal reeën en kalveren, maar ook de bokken en jaarlingbokken in de sprongen door de moeilijke periode. Het kaalwild in reeënsprongen is veelal gegroepeerd volgens familieverband. De dieren zoeken elkaar in het najaar op om op een veilige manier in een geschikt deel van het leefgebied (voedsel en beschutting) de winter door te komen. In het voorjaar worden de dieren onder invloed van hormonen weer territoriaal, waarna het sprongverband oplost. Spronggrootte Bepalend voor de spronggrootte is het landschap. In grootschalige bosgebieden zijn de sprongen in de regel het kleinst en in de open agrarische gebieden het grootst. In kleinschalige cultuurlandschappen variëren de spronggroottes op basis van de populatiedichtheid en de kwaliteit van het gebied (voedsel en beschutting). De volwassen dominante geiten bepalen in hoofdzaak de activiteiten in de sprong, waarbij de smalreeën en jonge geiten leren van de volwassen dieren. Daarbij zijn de kalveren nog volledig in de inprentingfase die alleen de geit op een juiste wijze kan invullen. Leeftijdsopbouw Van groot belang voor het welzijn van de dieren in de sprongen is dat de leeftijdsopbouw zo natuurlijk mogelijk is. Dit houdt in dat een sprong bestaat uit een goede verhouding tussen volwassen dominante geiten, jonge geiten, smalreeën en kalveren. De bokken in een sprong zijn een leuke bijkomstigheid in het kader van de veiligheid: hoe meer zintuigen hoe beter de veiligheid. Hoe kleiner en verspreider de sprongen, hoe moeilijker het behoud van een goede sociale structuur is. Hier komt het aan op het bepalen van de structuur in meerdere sprongen, waaruit de totale leeftijdsopbouw in een leefgebied kan worden herleid. In de halfopen en open landschappen zijn de sprongen in de regel groot genoeg om een complete leeftijdsopbouw binnen de sprongen te hebben en door middel van juist afschot goed te houden. Ook bij deze sprongen blijft het belangrijk om de leeftijdsopbouw van de populatie in een groter deel van het leefgebied te kennen. ![]() Aanspreken Het kunnen beoordelen van de leeftijdsopbouw in de sprongen vergt kennis en ervaring. Zeker in de wintervacht is het niet eenvoudig om jonge geiten op basis van lichaamskenmerken van de volwassen geiten te onderscheiden. Ook forse smalreeën (dan al ruim 1,5 jaar oud) zijn vaak moeilijk te onderscheiden van kleine jonge geiten. Kortom, alleen kijken naar de lichaamskenmerken is vaak onvoldoende om juist te kunnen aanspreken en afgewogen keuzes te maken. Om goed te kunnen aanspreken is ook het observeren van het gedrag van de dieren belangrijk. Daarvoor moet de tijd worden genomen om een sprong bij herhaling en dus onder telkens andere omstandigheden te observeren. Dominantie Belangrijk bij het observeren is te letten op gedragingen van dominantie. De volwassen dominante geiten vertonen alert en bewust gedrag en 'leiden' een sprong. Het bewuste gedrag uit zich in gedrag waarbij steeds een situatie beoordeeld wordt en op basis daarvan wordt er al of niet gehandeld. Bij onraad zekeren de ervaren geiten, waarna ze verder gaan met wat ze doen of springen af naar een veilige plaats zonder omkijken. Er wordt niet getwijfeld. De jonge geiten zijn vaak wel alert, maar reageren veel onzekerder dan de ervaren dieren. Die onzekerheid uit zich vooral in weifelend gedrag. Uiteindelijk volgen ze vrijwel altijd het gedrag van de ervaren dominante geiten. De smalreeën gedragen zich in de sprong vrij en blij en vertonen nog nauwelijks alert gedrag. Als ze zekeren doen ze dit kort, om vervolgens naar de geiten te kijken om steun te zoeken. Meestal doen ze gewoon mee met wat de geiten in de sprong doen en schromen ook niet om eens een tijdje de bokken te volgen bij hun bezigheden. Het observeren van gedrag en aanspreken op basis van lichaamskenmerken is dus altijd bepalend om de leeftijdsopbouw in de sprongen (kalf, smalree, jonge geit, volwassen geit) te kunnen bepalen en op basis daarvan de juiste keuze te kunnen maken voor het afschot.» Tips voor effectief reeënbeheer in de winter
Meten effect beheeringreep Of het beoogde doel (bv. geen populatiegroei, het voorkomen van dierenwelzijnsproblemen) wordt gehaald kan worden afgelezen uit de trend in de uitkomsten van de tellingen, de ontwikkeling van het lichaamsgewicht of het conditie-product van de reeën. Het ree zelf vormt eigenlijk de barometer van de gezondheid van de populatie. Om te kunnen beoordelen of het beoogde doel wordt gehaald, zullen er naast populatietellingen en afschotregistratie ieder jaar een aantal gegevens van geschoten reeën moeten worden vastgelegd. Een gezonde populatie uit zich in goed ogende gezonde dieren die een glanzende vacht hebben en geen vuile spiegel. Ook de aanwezigheid van niervet is een indicatie van de gezondheid van het individuele dier. Wanneer reeën niet goed ‘in hun vel zitten’ uit zich dit in minder gewicht, het aanwezig zijn van parasitaire aandoeningen en het ontbreken van niervet. Bij de bokken komt dit tot ook uitdrukking in de vorming van kleine geweitjes (soms knopbokjes). Dit soort gegevens kunnen in principe worden gebruikt voor het beoordelen van het welzijn van reeën. Om het effect van de beheeringreep te kunnen meten, moet · het lichaamsgewicht (ontweid met kop) in kilogram tot achter de komma (bv. 14,3 kg) van geschoten reeën worden vastgelegd. De gewichten moeten per leeftijdscategorie worden geregistreerd. Aanbeveling bij veel valwild/verkeersveiligheid: De nieuwe ITEK-wildspiegels (windmolenspiegels), waarmee op de A2 tussen Maasbracht en Urmond over een traject van +/- 20 km een zeer succesvolle proef is gehouden die meer effect sorteren. Het (lokaal) inperken van de populatie is een andere maatregel om het aantal aanrijdingen te verminderen. Het kan een reden zijn om de populatie (voorjaarsstand) op een lager niveau te houden dan op grond van de draagkracht (rekenmodel Van Haaften) is vastgesteld. Het kan ook een reden zijn om reeën vooral op plaatsen die als knelpunt worden aangemerkt, te schieten. Men kan ook kiezen voor een combinatie daarvan. In situaties waar verkeersveiligheid aan de orde is, is het verstandig vroegtijdig bokkalveren weg te nemen. Dit kan door gedurende de periode waarin het geitenafschot wordt gerealiseerd, ook een aantal bokkalveren te schieten. Veelal geven de huidige ontheffingen daarvoor al de mogelijkheid. De geschoten bokkalveren moeten wel als bok worden verantwoord en geregistreerd. Zou dit worden nagelaten, dan worden er verhoudingsgewijs te veel reebokken geschoten. Dit betekent dat de jager van het toegewezen bokkenafschot een deel realiseert in december-maart (namelijk als bokkalf). De geschoten bokkalveren vallen dus onder het afschotquotum van het lopende administratieve reewildjaar. Wanneer de gewenste voorjaarsstand eenmaal is vastgesteld is het van belang te kunnen meten of de maatregel (inperken populatie en/of afschot op specifieke knelpunten) effect heeft. Daarvoor is het nodig dat het aantal aanrijdingen met reeën nauwkeurig wordt bijgehouden. Registratie van het aantal aanrijdingen, de locaties en de data waarop de aanrijdingen hebben plaatsgevonden. Betreft gegevens van jachthouders, politie, wegbermbeheerder en dierenambulance. De draagkrachtmethode ‘Van Haaften, geeft in feite een waardering van de biotoop waar reeën voorkomen. Daarbij worden onderscheiden het veldgrenspercentage, oppervlakte weiden en akkers, dekkingspercentage, boomsoortenverdeling en zuurgraad van de grond. De belangrijkste factoren zijn;
Uit recente gegevens uit de praktijk blijkt dat met name in landbouwgebieden de actuele aantallen reeën hoger kunnen liggen dan de berekende doelstanden zonder dat belangen noemenswaard worden geschaad. Daarom is voor cultuurlandschappen de puntentelling iets aangepast dit is voor ons bijvoorbeeld van 10 stuks naar 12 stuks of van 11 naar 13 stuks en 13 naar 15 stuks per 100 ha Klimaatverandering speelt hierin mogelijk ook een rol. In de winter is er meer voedsel aanwezig dan vroeger, waardoor er meer reeën in bepaalde terreinen beter kunnen overleven. Voor grootschalige bos- en natuurgebieden zonder een substantieel aandeel voor reeën benutbare landbouwgronden, blijft de oude puntentelling van toepassing. Gewichten van geschoten reeën De gewichten van de geschoten dieren moeten consequent worden genoteerd (met één cijfer achter de komma) en dit altijd in relatie met het wildmerknummer, datum afschot en leeftijd. Een handzame unster die tot 25 kg gaat is dus onontbeerlijk. Bij de uitwerking op WBE niveau van de gemiddelde gewichten per leeftijdscategorie is het raadzaam bij de kalveren de gemiddelden per maand te berekenen. Dit omdat het gewicht van de kalveren aan grotere schommelingen onderhevig is dan bij volwassen dieren (verschil in gewicht begin en eind afschot periode. Bij de uitwerking van de gemiddelde gewichten van reebokken is het raadzaam een onderverdeling te maken van gemiddelde gewichten voor en na de bronst. Immers, tijdens de bronst verliest de bok het nodige aan gewicht. Hiermee wordt ook direct duidelijk dat uitwerking van deze gegevens niet mogelijk is wanneer de datum van het afschot niet bekend is. |