In Nederland komen wilde varkens (verzamelnaam ‘zwart wild’) slechts in twee provincies voor: op de Veluwe en in het Meinweg gebied in Limburg. De Veluwse varkensbevolking staat niet in verbinding met andere wilde varkens in Nederland. Er zal zeker wel eens een wild zwijn de IJssel of de Rijn overzwemmen en over onze oostelijke grensgedeelten wisselen wel verdwaalde varkens, maar dat blijven uitzonderingen. De Limburgse varkensstand is onderdeel van een grotere concentratie varkens over de Duitse grens. Het type wijkt enigszins af van dat van het Veluwse varken.
Het wilde zwijn is een imponerend oerwezen, uiterst weerbaar, sterk, spijkerhard, snel en slim, dat zo nodig ogenblikkelijk tot de aanval overgaat. In bijna alle gevallen zal het echter bij een directe ontmoeting met de mens de aftocht blazen of, als zijn radar- scherpe oren en neus hem of haar tijdig hebben gewaarschuwd, geruisloos wegglippen naar veilige dekkingen Een uitzondering daarop maakt een gewond varken, dat ten allen tijde kan attaqueren. Een tweede uitzondering vormt een zeug met biggen (vaktaal : een ‘’bache’‘ met ‘’frischlingen ‘’) waarover zo dadelijk.
Het wilde varken behoort tot de oudste en primitiefste eenhoevige op aarde en het heeft het gebit van een alleseter. Het voelt zich op de vlakte, mits er voldoende bos is, even goed thuis als in de bergen, zelfs tot 4000 meter hoogte toe (Azië).
Biggen: Als de frischlingen ouder dan een paar weken zijn, zullen moeder en kinderen er bij een eventuele ontmoeting met een mens snel vandoor gaan. Maar als haar borelingen nog in het nest liggen, wordt de wandelaar die te dicht in de buurt komt, zonder pardon aangevallen. Als hij geluk heeft kan hij in een boom vluchten, maar lukt dat niet, dan brengt de bache met haar scherpe tanden lelijke en slecht genezende wonden toe.
Het nest, de zogenaamde ‘’ketel‘’, waarin de biggetjes worden geboren en een dag of twaalf verblijven, heeft de bache gemaakt door met haar neus een kuil in de grond te wroeten en deze met varens, bladeren en mos te beleggen. Daarna dekt ze de kuil weer af met achterwaarts bij elkaar gesleepte takken, varens, mos, gras en bladeren, waarbij ze een soort dakstructuur fabriceert door het bouwmateriaal met speeksel aan elkaar te metselen. Ze laat de ketel naar één kant open en het halfronde brouwsel is klaar. Het lijkt dan op een ouderwets souffleurshokje op een toneel. Het is haast onvoorstelbaar dat ze dat met die zware kop en nauwelijks draaibare hals voor elkaar heeft gekregen.
In deze ketel baart de zeug haar jongen en houdt ze zo goed mogelijk warm en droog, want ze zijn dan nog niet tegen kou en vooral niet tegen vocht bestand. De biggetjes hebben de eerste drie, vier maanden een harig velletje met oranjebruine strepen op een gelige ondergrond, zodat het lijkt of ze pyjamaatjes aan hebben. Ze kunnen direct na de geboorte zien en hebben scherpe tandjes. Het aantal biggen bedraagt bij jonge zeugen (frishlingen vanaf een levendgewicht van 30 kg ) gemiddeld 2, overloperzeugen met 4,2 bij oudere zeugen meer, soms tot 12 toe, maar gemiddeld 5,2. De zeugen kunnen 12 of meer tepels hebben. Iedere big heeft zijn eigen tepel, die in de eerste dagen met venijnige vechtpartijtjes wordt veroverd. Ze worden een kleine 4 maanden gezoogd, maar beginnen al na 14 dagen plantjes en insecten te eten. Na 12 tot 14 dagen, afhankelijk van het weer, gaat het hele gezin op pad, om tot het volgend voorjaar bij elkaar te blijven. De draagtijd van wilde varkens bedraagt tussen de 114 en 140 dagen. De jonge zeugen dragen korter dan de oude De meeste (60%) van de frishlingzeugen worden gedekt in februari verliezen zij hun jongen dan worden zij opnieuw tochtig en gedekt. Uit onderzoeken uit Duitsland is gebleken dat er zelfs een toename van 200% tot 300% van de voorjaarstand kan plaatsvinden.
Overlopers Met bereiken van hun tweede levensjaar vanaf april het jaar na het geboortejaar worden de frischlingen ‘overlopers’. Ze zijn van de moeder af gegaan, die inmiddels al weer nieuwe jongen heeft, maar ze blijven onderling toch nog graag bij elkaar, omdat ze nu eenmaal typische gezelligheidsdieren zijn, mede met het oog op de veiligheid. Meer ogen, oren en neuzen zien, horen en ruiken eerder gevaar. Bovendien kunnen ze dan hun nog aanwezige speelsheid uitleven. Vooral als er sneeuw ligt rennen zich onbespied wanende jonge varkens als kwajongens in die witte wereld achter elkaar aan. Als een van hen onraad merkt, staan ze plotseling allemaal stil, sommige met witte sneeuw proppen op hun neus en opstaande staarten, om er het volgende ogenblik met een krachtig ‘woeff’ vandoor te gaan. Vrouwelijke overlopers zijn in hun tweede levensjaar altijd drachtig (vaak zelfs al als frishling, je kunt ze nog goed herkennen aan de zwartbruine kleur dus niet geheel zwart).De geoefende jager erkend het vrouwelijk en het mannelijk zwartwild vooral aan de vorm en silhouet. Overloperkeilers worden in de ouderdom van 15 tot 18 maanden uit de familiegroep gestoten omdat zij niet willen aanpassen aan de strakke hiërarchie van de groep ( rotte) en zij ondernemen extreme trektochten ondernemen van 40 tot 400 kilometer om een eigen territorium te krijgen, hiermee wordt ook inteelt voorkomen. Bij deze verplaatsingen worden vooral deze onervaren dieren relatief vaak geschoten. Na het tweede levensjaar leven de mannelijke dieren als alleenstaande in een vast territorium en gaan de familiegroepen(rotte) uit de weg. De mannelijke overlopers nemen pas in hun derde levensjaar echt aan de bronst deel. Zij heten dan ‘keilers’, lopen graag alleen of onder begeleiding van een zwakkere keiler de zgn. "adjudant" en groeien met de jaren uit tot zware zwarte solitaire rakkers, die een gewicht van 100 kilo (ontweid) kunnen bereiken, bij een schofthoogte van 85 centimeters en die, als het nodig is, zich muisstil kunnen verplaatsen (Dus het schieten van een "middeloude" 3 tot 5 jaar keiler is wildbiologisch gezien een doodzonde en is eigenlijk niet te rechtvaardigen). Zeugen wegen gemiddeld 70 kilogram en overlopers rond de 50. In de Karpaten mag men getallen verdubbelen; er zijn daar keilers van rond de 300 kilogram bemachtigd.)
De paringstijd (‘raustijd’, ruwweg van begin november tot eind februari) van wilde zwijnen is een roerige periode, waarin de oudere mannetjes elkaar geducht kunnen toetakelen, hetgeen met veel geschreeuw, geknor en gekraak gepaard gaat. Op de schoft en voorste ribben van de keilers ontwikkelen zich daartoe tussen half november en half januari dikke zwoerdplaten om de zware stoten van de slagtanden (‘houwers’ of ‘geweren’) van hun rivalen op te vangen. Ondanks dat kunnen ze elkaar behoorlijk bloedende wonden toebrengen, die echter dankzij het zwoerd niet tot longen en hart kunnen doordringen.
De onderhoektanden groeien bij de keilers naar boven en naar buiten uit. De bovenhoektanden groeien ook naar boven en naar buiten uit, maar moeten daartoe eerst een U-turn maken. Daarna schuren de onder hoek tanden (de ‘houders’ of ‘geweren’) langs de bovenhoektanden (de ‘haderers’), zodat zij vlijmscherp blijven. In het gevecht of bij de aanval op de mens slaat het varken er mee van onder naar boven, waardoor diepe splijtwonden aan benen of onderlijf kunnen ontstaan. De bachen hebben veel kleine houwertjes, maar ook zij kunnen daarmee lelijke blessures veroorzaken.
Wilde varkens kunnen vele kilometers afleggen wanneer zij ergens eetbare gewassen vermoeden of weten te staan. In goede jaren van veel eikel- en beukennoten (mast) zullen zij minder ver weg zwerven, dan in matige, omdat er dan overal voedsel te vinden is. De schade na een varkensbezoek is meestal aanzienlijk. In aardappellanden, weilanden, bieten-, graan- en maïsvelden, dorpsmoestuinen en op golfbanen kunnen zij in één nacht voor duizenden guldens vernielen. Het voedsel bestaat uit bijna alles wat het gebied biedt, met een voorliefde voor knolhoudende of wortelrijke planten. Verder eten zij wormen, engerlingen, beukennoten, grassen, eieren, jonge vogels, hagedissen, slangen, kikkers, muizen, jonge konijnen en reeën, kadavers van alle dieren, wilgenroosje, adelaarsvaren, paddestoelen, vruchten en wat niet al. Toch vinden zij in bepaalde jaargetijden op de arme Veluwse gronden te weinig voedsel, zodat zij moeten worden bij gevoederd. Over dat bijvoeren is veel te doen. Sommigen menen dat er daardoor te veel varkens komen, omdat zij dan meer jongen kunnen groot brengen, waarop daarna weer veel te intensief moet worden gejaagd; anderen menen dat door bijvoederen de varkens in het bos worden gehouden, zodat er minder schade op de landbouwgronden ontstaat, een opvatting die ook in de Karpaten wordt gehuldigd men noemt dit afleidend voeren.
In het bijzonder door verbetering van de voervoorzieningen kan het wildschade problemen beperken: Buiten intensief bewerkte wildakkers, die als nadeel de hoge kosten hebben, voor het meestal korte gebruik hiervan. Gebruikt het zwartwild heel graag een mengsel van gras en klaver, dat gebruik kan worden bij de aanleg van de nattere groenstroken, waarop het zwartwild dan ook graag graast.
Deze plekken biedt voor de zeugen een groot deel van het jaar hoogwaardig groenvoer en hiervan kan het overige wild ook goed profiteren. Deze plekken mogen in een zwartwildbeheergebied niet ontbreken.
Echter de moderne landbouw met de grote arealen maïs zorgt als het ware voor een echte maïsspuit, zodat de zeugen het hele jaar door drachtig kunnen worden.
Hierboven werd al gezegd dat varkens voor hun voedselopname kilometers ver weg gaan, dit is niet juist. De zeugen vormen goed geordende familiegroepen (rotte) en zijn juist erg trouw aan hun territorium. De leidende Zeug bepaald het gebied waarin ze rond trekken en gaat daarbij uitervaring het gevaar uit de weg ( ze zal wildschade gevoelige plaatsen vermijden, als daar een al frishling geschoten is) Wordt de leidende Zeug geschoten, dan gaat het territorium van de rotte ook verloren en een veel groter gebied wordt dan doorkruist en hierdoor zal ook de wildschade toenemen. Alle zeugen in een intacte rotte sluiten zich aan bij de "rausche" van de leidende zeug en onderdrukken zo de "rausche" van de frishlingzeugen. Complete familiegroepen bestaan uit zo'n 25 tot 32 dieren, hierna verdelen zich deze familiegroepen zich weer. De verplaatsingen in het territorium geschieden in de nacht of zeer vroege ochtend en late avond, aangezien zij bij uitstek nacht- en schemerdieren zijn. Voor hun omzwervingen maken zij gebruik van vaste wissels, bestaande uit diep of minder diep uitgesleten paadjes, die van dekking naar dekking lopen en die zij in ganzenmars afdraven. Overdag liggen zij graag in dichte dekkingen, in hoge hei of biezenvelden, waarin ze diepe legers hebben uitgeschuurd Dreigt er gevaar dan kunnen zij geruisloos van de ene kant van zo’n dekkingsvlak naar de andere lopen om te peilen wat de beste plek is om het vak sluipend of in volle galop te verlaten, bijna altijd tegen de wind op of minstens met halve wind.
Een wild varken kan niet zonder water. Elk slootje, poel of vol geregend karrenspoor is welkom. Als ze de kans krijgen ‘zoele’ ze graag. Ze wentelen zich om en om in de modder, laten die opdrogen en wrijven hun huid daarna tegen boomstammen of -stronken modder korstenvrij, waarbij de opgesloten teken, luizen en vlooien worden vermorzeld.
De winterdos van een wild zwijn bestaat uit een stugge, donkere dichte beharing (de ‘borstels’). Van de kop tot dicht bij de staartbasis loopt op de rug een streep extra lang haar, dat bij woede of schrik rechtop gaat staan, waardoor het varken er nog dreigender uitziet.
Wilde (en tamme) varkens behoren tot de zeer slimme zoogdieren en ze leren uitermate snel, zoals proeven hebben aangetoond. Een ontsnapt en verwilderd huisvarken is na enkele seizoenen even schuw en uitgekookt als zijn wilde neven, wel iets om over na te denken als men de zich te pletter vervelende slachtvarkens in donkere hokken bekijkt, of nog erger: dieren die met een riem om de borst aan een halve meter ketting worden vetgemest
Zoals gezegd, het reukvermogen en het gehoor van tamme en wilde varkens zijn scherp, even scherp als die van rood- en reewild. Iedereen kent de foto’s van Franse boeren die met een huisvarken aan een touw truffels (ondergrondse paddestoelen) zoeken, die het varken door de aarde heen ruikt. Overigens is het onbegrijpelijk dat een neus die zo scherp is (en blijft) tegelijk kan worden gebruikt om soms tot een decimeter diep de grond om te woelen. Het gezichtsvermogen van het wilde zwijn is matig. Als men met goede wind bewegingloos zit of staat, kan een wild zwijn vlak langs u heen lopen.
De sterfte onder de pasgeboren en jonge frischlingen kan tot 20 % bedragen. Als het zwartwild echter vakkundig wordt beheerd ,vermeerderen wilde varkens snel en probleemloos soms tot 200% per jaar, tenzij er longworm, varkenspest, extreme koude of wat vaak nog dodelijker is, extreme droogte optreden. In Nederland heeft het zwartwild geen natuurlijke vijanden meer. In de rest van Eurazië zijn dat de wolven, lynxen, beren en tijgers. De enige manier om het in ons land te beheren is dus met de kogel, in drijfjachten of via de aanzit. Op de Veluwe wordt in de vrije wildbaan gestreefd naar een voorjaarsbestand van 695 varkens, welke stand in de afgelopen jaren veel hoger was, hetgeen er op neerkomt dat er na de jaarlijkse aanwas tussen de 2000 en 3000 moe(s)ten worden geschoten, de grote rasters zoals op de Hoge Veluwe en de Kroondomeinen niet meegeteld.
Het wildbraad van wilde varkens kan tot exquise gerechten worden bereidt.
Voor een instructie hoe je nu een wild zwijn vilt nadat het voor consumptie is vrijgegeven. zie "het villen van een wild zwijn".
In Nederland tekent zich met betrekking tot het beheer van populaties van edelhert, ree en wild zwijn de laatste jaren een kentering af.
Was het beheer tot voor kort eenzaam van een betrekkelijk kleine groep intimidie hun werk tamelijk geïsoleerd van de buitenwereld konden verrichten, thans richt de aandacht van een groeiend publiek zich op het edelhert, ree en wild zwijn en voelen velen zich betrokken bij de discussie over andere invalswegen bij het beheer van deze diersoorten en hun omgeving.
In Duitsland zijn deze tendensen niet anders, daar is de laatste jaren vooral door de zachte winters en de goede mast de populaties sterk gestegen met zeker zo'n 200 % tot 300%, wat extreem veel is.
De roep om meer kansen te geven aan natuurlijke processen en om de mogelijkheden om wild te zien vergroten wordt steeds sterker.
Natuurlijke dichtheden en minder bijvoer strijden in de discussie om voorrang, maar ook de wijze van aantal regulering is aan de orde en door velen wordt in dit verband het ontbreken van grote predators als een ernstig gemis voor het functioneren van het ecosysteem ervaren.
Voorlopig lijkt er mee betrekking tot de aantal regulatie van genoemde herbivorennaast de jacht een groeiende rol te zijn weggelegd voor het natuurlijk voedselaanbod.
De draagkracht van een gebied voor wilde zwijnen is afhankelijk van bijvoorbeeld het aanbod aan dekking, water en voedsel en dus tijdafhankelijk. Ook de leeftijd structuur van de populatie kan bepalend zijn voor de aantallen zwijnen die ergens kunnen leven. Belangrijk zijn de leidende zeugen die de groepen wilde varkens bij elkaar houden en hierdoor zal verspreiding op een natuurlijke wijze worden tegengegaan. Schiet men deze zeugen dan verspreid de groep zich en is er dus ook meer kans op dragende "overlopers" en dit vergroot weer de kans op schade.
Bij het presenteren van cijfers over de draagkracht zal dus sprake zijn van een indicatie waaromheen de aantallen over een langere reeks van jaren zullen fluctueren.
Wanneer, zoals in het onderhavige geval, aan natuurlijke processen in een gebied een belangrijke functie wordt toegekend maar de aantallen hoefdieren door de mens worden gereguleerd, lijkt het een goede zaak om zich, bij het vaststellen van de na te streven aantallen te laten leiden door de draagkracht en de schadegevoeligheid aan de landbouwgewassen van het gebied.
Voorjaarstellingen zijn onderschatting; je telt maar 30%!!!
Veranderde landbouw en terreingebruik leidt tot permanent verblijf in akkers met energierijk voedsel
Meer mastrijke jaren
Zachtere winters
Suggestie: onbeplante stroken in en langs de maïsvelden, hierdoor ontstaan schietbanen voor afschot
Reproductie:
1970
2006
2007
Aantal biggen per zeug < 1 jaar
2,0
6,3
4,8
Aantal biggen per zeug 1-2 jaar
4,2
7,8
6,8
Aantal biggen per zeug > 2 jaar
5,3
7,9
8,3
Populatieaanwas
332%
267%
Door de opbouw van de populatie zorgen de jonge zeugjes (kleiner dan 1 jaar) voor ongeveer 55% van het totaal aantal geboren jonge biggen per jaar per populatie; de overlopers voor 30% en de oudere zeugen voor 15 %.
In een statistisch model uitgezet blijkt dat door dit “biggen krijgen biggen” effect pas bij een afschot van jonge biggen van 80% de populatie stabiel blijft. De vroeger gehuldigde opvatting dat de leidende zeug voorkomt dat biggen en overlopers gedekt worden is zowel in Luxemburg als in dit onderzoek niet aangetoond: tot 80% van de zeugjes van 10-12 maanden en 100% van de zeugjes van 1-2 jaar waren drachtig!!!
In het onderzoeksgebied in Luxemburg was het afschot gerealiseerd door 75% aanzit, de rest via drijfjacht. In een model is berekend wat met de huidige jachtinspanning de ontwikkeling zou zijn in dit gebied van 3000ha:
Populatie is nu 400 dieren, maar zal bij gelijkblijvende jachtinzet in 10 jaar groeien tot 600 dieren. Als er helemaal niet gejaagd zou worden is er in 3-4 jaar tijd een explosieve ontwikkeling tot geschat 1600 dieren, waarna er een instorting is tot een wisselend niveau van ongeveer 1000-1200 dieren (3-4 per 100ha). Als er echter een goed mastjaar met zachte winter is, zal het aantal weer explosief stijgen.
De meeste wilde hoefdieren zijn, evenals gehouden dieren, vatbaar voor een groot aantal besmettelijke dierziekten: ze kunnen elkaar wederzijds besmetten. Maatschappelijke criteria als voedselveiligheid (zoönosen), economische schade (uitbraken van dierziekten, mogelijk verlies van speciale rassen of foklijnen ten gevolge van mortaliteit en/of stamping-out), risicoperceptie en algemene verontwaardiging over de bestrijding van dierziekten, zijn gebruikt om een lijst samen te stellen met vijf relevante dierziekten onder 'varkens' zie onderstaande tabel. Deze lijst is lang niet volledig (Simpson, 2002; Groot Bruinderink et al., 2007). Niet opgenomen zijn bijvoorbeeld exotische ziekten met geringe kans op insleep of ziekten die (nog) sporadisch in de Nederlandse veehouderijsector voorkomen.
Ziekte
Agens
Veehouderij
Wilde zwijnen
Zoönose
Verspreidings-mechanismen
Blaasjesziekte (SVD)
Enterovirus, familie Picornaviridae
Nee (1994)
sporadisch
Nee
Via direct contact, swill voedering (verboden), mest, indirect contact (veewagens, mensen)
Klassieke varkenspest (KVP)
Pestivirus, familie Flaviviridae
Nee (1998)
Nee (1983/84)
Nee
Via direct contact, sperma, ingestie vangecontamineerd vlees (swill voedering), mest, indirect contact (mensen, voertuigen, materialen); verticale transmissie (carrier sow syndrome)
Mond- en klauwzeer (MKZ)
Aphtovirus, familie Picornaviridae (7 serotypen)
Nee (2001)
Nee
Nee
Via direct contact, sperma, melk, swill voedering, mest, indirect contact (mensen, voertuigen, materialen), lucht
Trichinellose
Trichinella spp. (rondworm); in varkens vaak T. spiralis
Nee (2002)
Sporadisch
Ja
Ingestie van gecontamineerd vlees (swill voedering, besmette knaagdieren)
Ziekte van Aujeszky of pseudorabies (ZvA)
Suid herpesvirus type 1 (alphaherpesvirus), familie Herpesviridae
Nee (2004)
Sporadisch
Nee
Uitscheiding van virus via ademhaling, neusslijm en speeksel, melk, geslachts-apparaat en sperma, ingestie van gecontamineerd vlees Verspreiding via direct contact, indirect contact (mensen, transportmiddelen, materialen) en de lucht
Het Varkenspest virus is een zeer stabiel virus dat bevroren tot 4 jaar kan overleven, gekoeld 35 dagen en in organen 3-6 maanden kan overleven. In de buitenlucht is de overleving afhankelijk van de temperatuur en de vochtigheid en de pH.
Laatste 15 jaar vooral uitbraken van het genotype 2: geeft een mild zieketebeeld, de ziekte blijft lang rondzingen in een populatie omdat er minder uitval is. Op zich is dit ongunstig: een zeer agressieve variant dood lokaalal zijn gastheren en sterft dan vanzelf uit.
Er zijn bij gehouden varkens 3 ziektebeelden bekend:
ØAcuut (snel dood): Dieren zijn al ziek en scheiden virussen uit vóórdat je ziet dat ze ziek zijn!
ØChronisch (langslepend) duurt weken tot maanden
ØLate-onset (vertraagd begin): biggen al in de baarmoeder besmet: maken geen afweerstoffen aan, dus worden geboren als virusuitschieders, pas dood na 5-11 maanden.
Symptomen bij Wilde zwijnen:
Agressief virus: snel dood, daarvoor minder schuw voor mensen en honden, en meer aanrijdingen. Ook zijn ze meer in de buurt van water (koorts?); er is een toename van dood gevonden jonge dieren.
Entcampagne: Bij de uitbraken onder wilde zwijnen in Euskirchen Duitsland (2002; 2005; 2006; 2007) zijn i totaal 27 wilde zwijnen aangetoond besmet geweest, er zijn i totaal 600.000 stuks vaccin uitgelegd over een periode van 5 jaar. Er werd 3x per jaar vaccin uitgelegd verspreid over het jaar (Lente, Zomer & Herfst met herhaling na 4 weken). De ziekte is nooit overgeslagen naar de gehouden landbouw varkens.
Uiteindelijk kan zo 40-80% van alle dieren beschermd worden, nadeel is dat de jongere dieren OF het slechter opnemen (aasvaccin te groot, komen niet aan de bak?) OF hun immuunrespons is nog te zwak.
Het afschot in het gebied is bijna verdubbeld, er mogen maximaal 2 dieren per 100ha overblijven. Bij een dergelijke dichtheid kan het virus niet meer van dier naar dier overspringen en sterft de infectie vanzelf uit.
Het gebied van de Wildbeheereenheid "Susteren/Graetheide" is aangewezen als 0 optie gebied, dit wil zeggen dat er eigenlijk geen wilde varkens mogen voorkomen. Er worden regelmatig wilde varkens het hele jaar door gesignaleerd en bij schade zal er direct worden opgetreden, hierbij worden nu al regelmatig wilde zwijnen geschoten.
WZ: 3.2.3 Schademeldingen aan Faunafonds in het jaar 2004-2009
In Tabel WZ: 6 wordt een overzicht gegeven van getaxeerde schades door het Faunafonds.
Gewas
2004
2005
2006
2007
2008
Aardappelen
€1.370
€40
€-
€1.756
Bonen
€487
Gras
€4.949
€5.958
€7.200
€2.323
€7.876
Mais
€1.666
€3.653
€2.233
€13.053
€19.320
Overig
€-
overige gewassen
€626
€1.372
€282
€-
Suikerbieten
€150
€212
€-
Voedergewassen
€9
Wintergraan
€133
€329
€1.054
€5.830
Zomergraan
€784
Wild Zwijn totaal
€8.894
€11.352
€9.433
€18.195
€34.791
Tabel WZ: 6: Overzicht getaxeerde schade in € veroorzaakt door Wilde Zwijnen per gewas in de provincie. Limburg (Bron: Faunafonds)
In Tabel WZ: 7 wordt een overzicht gegeven van uitgekeerde schades door het Faunafonds.
Limburg
2006
2007
2008
2009
Wild Zwijn totaal
€7.930
€11.214
€ 27.434
€65.897
Tabel WZ: 7: Overzicht uitgekeerde schade in € veroorzaakt door Wilde Zwijnen per jaar in de provincie Limburg
De toename van schade in 2008 & 2009 is gerelateerd aan een beleidwijziging van hetFaunafonds waardoor meer dan voorheen vergoedingen voor geleden schade kondenworden aangevraagd en werden uitgekeerd.
De aantallen wilde zwijnen worden gereguleerd door afschot, hiervoor is een ontheffing, conform artikel 68 van de Flora- en faunawet nodig, die verleend wordt door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV).
De vergunninghouder kan de vergunning doorgeven andere jachtaktehouders die de vergunning op hun beurt rechtsgeldig kunnen overdragen aan een andere jachtaktehouder.
Gebruik kunstlicht. (deelontheffing 3)
In aanvulling op de reguliere bestrijding met een kogelgeweer is beperkt gebruik van kunstlicht mogelijk. Hierbij geldt de voorwaarde dat op enig moment niet meer dan één jachtaktehouder met kunstlicht in het werkgebied van de FBE Midden-Limburg actief is.
Deze voorwaarde wordt als te beperkt ervaren. Het afschot van wilde zwijnen is geen jacht maar een opdracht van de overheid tot het bereiken van een 0-stand. Met deze beperking kunnen de ontheffinggebruikers de gewenste 0-stand niet bereiken.
Advies KNJV en NOJG aan de provincie Limburg
Eén ontheffinggebruiker per WBE die gelijktijdig gebruik maakt van de FBE ontheffing.
Een op een drijfjacht (deelontheffing 4)
Van deze ontheffing kan alleen gebruik worden gemaakt door jachtaktehouders die met goed gevolg een door de Faunabeheereenheid Midden-Limburg georganiseerde proeve van bekwaamheid hebben afgelegd. Deze proeve van bekwaamheid dient aan te tonen dat hij/zij over voldoende schietvaardigheid beschikt om deze vorm van drijfjacht veilig uit te voeren en dient qua eisen en periode van geldigheid gelijkwaardig te zijn aan de onder de Jachtwet geldende verplichting van een zwartwildbrevet. Invulling van deze proeve van bekwaamheid dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Limburg.
Extra eisen stellen aan gediplomeerde en/of anderszins ervaren jagers is niet wenselijk en heeft geen wettelijke grondslag.
Advies: Neem als ontheffingsvoorwaarde op dat het veiligheidsprotocol "Zekerheid bij drukjachten" strikt opgevolgd dient te worden. Dit vergroot de veiligheid en het draagvlak voor de uitvoering van de ontheffing.
Over het algemeen wordt een dichtheid van 2 à 3 per 100 ha leefgebied acceptabel geacht. Het als een natuurlijke verhouding van 1 : 1 mag niet door fouten in de bejaging ten gunste van de vrouwelijke zwijnen verschoven worden. Dit gebeurt heel snel, wanneer te veel overloper keiler en mogelijk ook nog keiler van 3 tot 4 jaar geschoten worden. Het gevolg van de te weinig aantallen keilers in de bestanden zijn, een te grootte aanwas, door te veel vrouwelijk zwartwild. Een verschuiving van de verhoudingen ten gunste van de keiler is in de vrije wildbaan nauwelijks te realiseren. In Nederland en Duitsland geldt dat bij het afschot de nadruk op de biggen en overlopers ligt en dat oudere zwijnen worden gespaard. Door het afschot zou normaal genomen op het minst de aanwas van het betreffende jaar verminderd moeten worden. Als gevolg van de hoge aanwas percentages van de frischlingen is het nodig om in hoofdzaak in deze jongste categorie tijdig afschot te verrichten, in deze categorie zijn ook de hoogste natuurlijke verliezen. Terughoudender moet men echter met de hierop volgende ouderdom klasse van de overlopers zijn; vooral voor de overloper keiler. Twee tot vierjarige zeugen zouden niet geschoten mogen worden. Bij de oudere zeugen is dan een klein afschot mogelijk.De navolgende afschot samenstelling van de stand is na te streven;
Frischlingen 80% (minstens)
Overlopers 15% (hoogstens)
Sterke keiler en zeugen 5%
Over het algemeen bestaat 75% van het afschot frischlingen, tot een gewicht van 40 kg. Regel is om zovroeg mogelijk met het afschot van de Frischlingen (biggen) te beginnen, vanaf het moment waarop ze ongeveer 5 tot 6 maanden oud zijn. Dit kan het beste gebeuren van eind oktober tot en met december.
Uit een zwartwild groep moet als eerste, het zwakste exemplaar worden geschoten.
Algemeen voor afschot vrijgegeven, zouden alleen exemplaren tot een bepaald lichaamsgewicht moeten worden. Voor het merendeel zou dit tussen de 40 tot 50 kg ontweid gewicht moeten liggen.
Zulke gewichtsgrenzen zijn in overeenstemming met de huidige ontwikkeling van de zwartwild stand. Uit ervaring kan de stand op deze manier effectief gereguleerd worden.
Individueel trekkende gezonde dieren moeten gespaard worden, behalve voor afschotrijpe exemplaren, die vrij gegeven zijn.
In het bos moet het zwartwild gedurende de zomermaanden rust hebben! Jacht alleen in het veld, als er ernstige wildschade is of dreigt te ontstaan.
Gevaar voor foutief afschot in hoogstaand veldgewas, vooral voor de leidende zeugen, daar de frischlingen dan vaak niet te zien zijn.
Alleen bij voldoende licht jagen
Alleen op breedstaande, op 1: 1 drukjachten ook trekkende of vluchtende zeugen schieten, waarbij steeds gedacht moet worden aan het evt. ziek schieten van het dier.
Het zonder regels of afspraken jagen op het zwartwild heeft er tot nog toe er alleen maar toe geleid, dat daardoor de stand een onevenwichtige geslacht- en leeftijdstructuur krijgt, waardoor nog meer wildschade en ziekten, zoals de varkenspest kunnen ontstaan. Een niet onbelangrijk aspect bij het beheer is, dat in Duitsland het gehele jaar door op biggen mag worden gejaagd terwijl dit in Nederland beperkt is tot de periode 1 augustus tot en met 31 januari. De vergunninghouder dient binnen 14 dagen na afloop van de geldigheid van de vergunning, aan de Teammanager van LASER (LNV) vestiging Dordrecht, Postbus 1191, 3300 BD Dordrecht, schriftelijk een opgave te doen van het gebruik dat van de vergunning is gemaakt.
Bij deze rapportage dient het navolgende te worden vermeld:
het aantal gedode dieren ( gespecificeerd naar gewicht),
geslacht,
evt. leeftijd
afschotlocatie,
afschotdatum.
locatie waar geschoten of als valwild aangetroffen
conditie van het stuk ( drachtig, frishlingen geworpen)
Hoe waarborg je de gewenste populatieomvang in de leefgebieden in Limburg?
De gewenste populatieomvang kan op verschillende manieren worden gewaarborgd.
Lokaal kan bijvoorbeeld een 'nulstand' worden gerealiseerd door òf het leefgebied van het Wild zwijn compleet in te rasteren òf de inliggende schade- en overlast gebieden te voorzien van een Wilde zwijnen kerend raster. Wanneer rasteren geen of slechts een gedeeltelijke oplossing is, zal er een balans gezocht moeten worden tussen de aantallen Wilde zwijnen en de acceptatiegrens met betrekking tot schade en of overlast.
Voor hoeveel Wilde zwijnen is er maatschappelijk draagvlak in plaats wat is de ecologische draagkracht. Dit betekent dat de aantallen op het gewenste niveau gebracht en gehouden moeten worden. Afschot is hiertoe het meest geëigende middel. Hierbij de opmerking dat de mogelijke populatieomvang gebaseerd moet zijn op de natuurlijke voedselsituatie. Echter, overal is het benuttingsgebied groter dan het bos- en natuurgebied, hetzelfde geldt voor het voedselaanbod. Er kunnen hierdoor meer Wilde zwijnen leven dan enkel en alleen op basis van het natuurlijke voedselaanbod.
De gewenste populatie zal in multifunctionele landschappen bepaald worden door draagvlak in de streek. In de regel zal dit een lage dichtheid betekenen vertaald in een gewenste populatieomvang of doelstand.
Waarborgen hebben te maken met de volgende aspecten (1 t/m 4). 1) Nauwkeurige beeldvorming daadwerkelijke aantallen: – Schemertellingen. – Uitkomsten corrigeren voor dichtheid en voedselsituatie. – Uitkomsten corrigeren voor aanwas van na de telling. 2) 100% realiseren noodzakelijk afschot: – Mastrijke jaren grootste noodzakelijk reductie voordat de mast valt. – Minder rijke jaren maximaal benutten om stand op afgesproken niveau te krijgen. 3) Verantwoordelijkheden/uitvoering: – Terreineigenaren, grondgebruikers en jagers zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor een juiste uitvoering. – Alle terreineigenaren, grondgebruikers en jagers onderschrijven het afgesproken beheer uit het Faunabeheerplan. – Het niet goed uitvoeren leidt tot meer schade, maak alle partijen financieel verantwoordelijk. – Leg uitvoering vast in uitvoeringsplan met toetsbare maatregelen. – Wijs een coördinator aan die de uitvoering coördineert in het gehele leefgebied conform de gemaakte afspraken. – Beheer het gehele leefgebied gezamenlijk. – Zorg voor deskundige jagers. 4) Monitoring – Monitor levende Wilde zwijnen (telling en jaarrondwaarnemingen). – Monitor geschoten Wilde zwijnen. – Monitor aanrijdingen. – Monitor landbouwschade. – Monitor overige schade en overlast.
Conform het project serologisch onderzoek wilde zwijnen (projectnummer 701.939) van de gezondheidsdienst voor Dieren (GD) te Deventer dient direct na afschot bloedafname van wilde zwijnen plaats te vinden. Dit dient te geschieden volgens instructie d.d. 10 juni 1998, referentie 709139/LDV/LDV/Mbr00340 van de GD en met door de GD beschikbaar gestelde materialen ( Spuiten en plastic handschoenen en buisjes voor opslag en verzending)Contactpersoon GD is de heer L.J.M.Dekkers;
Coördinator in Limburg:is de heer C. Kouters, Klifbergseweg 13, 6063 NE Vlodrop, telefoon: 0475-535229/06-51211149 en diens plaatsvervanger is de heer J. Maessen, Wijngaardstraat 8, 6075 NC Herkenbosch 0475-534691/06-21836034 Binnen 14 dagen na afloop van de geldigheid van de verstrekte ontheffing, dient de houder van de ontheffing over de monstername schriftelijk verslag uit te brengen aan de provincie Limburg, postbus 5700, 6202 MA Maastricht t.a.v. afdeling Groen. Geschoten wilde zwijnen dienen ter keuring te worden getoond aan de coördinator of diens vervanger in het kader van een onderzoek in samenwerking met de inspectie Volksgezondheid. Hierbij dienen de navolgende organen voor een visuele keuring aanwezig te zijn;
longen,
lever,
nieren,
milt.
Cor Kouters neemt een bloedmonster bij een net geschoten jong wild zwijn. Alle geschoten wilde zwijnen moeten door de jagers uit de hele provincie Limburg bij hem worden aan gemeld. Het bloedmonster gaat voor onderzoek naar de GD in Deventer. Het 'wordt onderzocht op varkenspest, Aujesky, blaasjesziekte en MKZ. Vooral de dreiging van varkenspest vanuit Duitsland en België is groot. De varkenspest is daar nog steeds sluimerend onder de wilde zwijnen. Het gevaar bestaat dat de pest overslaat naar de varkenshouderij. Cor Kouters keurt lever, longen, nieren en milt op het oog op afwijkingen. Ziet hij die, dan stuurt hij de organen met de tonsillen en het laatste stukje van de dunne darm voor onderzoek naar ID-Lelystad.Hiertoe dient van het bemachtigen van een wild zwijn de coördinator of diens vervanger binnen 24 uur in kennis te worden gesteld. De ontheffing kan ten alle tijde worden ingetrokken of gewijzigd.De laatste uitbraak van de varkenspest kostte in 1997 - 1998