De Roek: Corvus frugilegusDe roek behoort tot de familie van de kraaiachtigen, net als de raaf, zwarte kraai, bonte kraai, kauw, ekster en Vlaamse gaai. Zijn wetenschappelijke naam is Corvus frugilegu. Hij heeft een glimmend zwart verenkleed met een enigszins blauwe glans. Het belangrijkste onderscheid met de zwarte kraai is dat de snavelbasis en het voorste deel van de kop wit zijn. Jonge roeken hebben dit nog niet, en kunnen daardoor in het veld gemakkelijk verward worden met de zwarte kraai. De roek is ongeveer 46 cm lang, Broedt in open gecultiveerde landschappen of graslanden met groepen bomen of open bosgebieden en parklandschappen. Nestelt vaak in dichte kolonies hoog in dicht bij elkaar staande hoge bomen. Ook samen met andere kolonievogels. Broedt soms op gebouwen. Zelden solitair broedend. Niet vaak dicht bij of op de grond.  Algemeen voorkomen in Nederland: ( gegevens SOVON) 
Nest. Een omvangrijk komvormig bouwsel van takken vermengd met aarde; bekleed met gras, wortels, bladeren, mos, planten, wol en haar. Nesten van voorgaande jaren kunnen opnieuw gebruikt worden. Beide geslachten bouwen, het mannetje brengt het materiaal dat door het vrouwtje ingebouwd wordt. Broedtijd: begint eind maart en vroeg in april in het zuiden, tot mei in het noorden. Eén legsel.
 Eieren: meestal 3-5, soms 6 9. Buikig, glad en glanzend. Verschillende tinten van lichtblauw, blauwachtig-groen of dof groen; bezet met groenachtig-geelbruine, olijfkleurige, olijfbruine of zwartachtig-olijfkleurige tekens. De tekens variëren van grote vlekken en spikkels tot talrijke fijne spikkeltjes, fijne streepjes of krabbels, en een onopvallende olijfgroene vlekking. Belangrijke verschillen, vaak tussen de eieren in één legsel, van schaars getekend lichtblauw tot zwaar verduisterend bruinachtiggroen. Bij grote uitzondering lichtroze met roodbruine en purperen tekens. 40 x 28,3 mm. 
Broedzorg/Broedduur: legt één ei per dag. Alleen het vrouwtje broedt, gevoerd door het mannetje. 16-20 dagen. Jongen: donzige nestblijvers. Dons, op rug en dijen, kort en schaars. Donker roetgrijs. Binnenzijde be k in het begin oranje, later roze-achtig-rood. Snavelranden vleeskleurig met een gele tint. Nestperiode: Jongen worden in het begin door het vrouwtje gekoesterd, door het mannetje wordt het voedsel gebracht; later brengen beide vogels voedsel. De jongen verlaten het nest na 29 - 30 dagen. Zij blijven nog enige dagen in de bomen van de kolonie. In Nederland en België. Talrijke broedvogel. Aantallen nemen fors toe.
Voedsel: roeken foerageren voornamelijk in open landschap, vooral op grasland. Een groot deel van het voedsel bestaat uit dieren die in, op of boven de grond leven, zoals regenwormen, emelten en verschillende insecten. De waarde van de roek als bestrijder van insectenplagen wordt vaak aangehaald. Naast grasland heeft de roek ook akkerland als foerageergebied waar vooral ingezaaide granen, maïs en morsgranen worden gegeten, soms ook aardappelen en erwten. Schade: in het voorjaar treedt schade op door het oppikken van zaaizaad en het uittrekken van kiemplanten van granen. Daarbij lopen de roeken de rijtjes af, zodat er bepaalde delen van de akker uitgedund worden. Vaak blijkt later in het jaar dat de schade meevalt, omdat het overgebleven gewas meer uitgestoeld is. Ook blijkt dat boeren vaak dichter zaaien dan nodig is, d.w.z. meer zaaigoed gebruiken dan nodig is voor een optimale opbrengst. In zo'n geval valt de uiteindelijke schade vaak erg mee. Schade aan de melkrijpe korrel ontstaat als graan gelegerd is, of omgeknakt wordt. Bij het beoordelen van de schade is het niet altijd goed mogelijk om met zekerheid vast te stellen of er uitsluitend sprake is van roekenschade. Als het graan gelegerd is, kunnen ook eenden en duiven ervan profiteren. Dan is het wel erg moeilijk om het aandeel van de roeken in de schade te beoordelen. Legeren kan, behalve door sterke wind en onweer, bevorderd worden door overbemesting, of door te dicht zaaien. Zij veroorzaken vooral schade aan maïssilo's, appels-, peren- en kersenboomgaarden, pas ingezaaide zaaigoed (granen, maïs en erwten). Preventieve maatregelen ter voorkoming schade | Gewas | Soort schade | Schade periode | Preventie methode | Opmerkingen | | Granen | vraatschade | zaaiperiode zomer | Zaaizaadbehandeling Percelen gelijktijdig inzaaien Vlaggen Knalapparaten Nabootsing roofvogel, ballonnen Fladderprojectiel Dieper zaaien Afschot/verjaging Afschot/verjaging | Zomers vooral in gelegerd graan. | | Maïs | vraatschade | zaaiperiode | Zaaizaadbehandeling Vlaggen Nabootsing roofvogel, ballonnen Knalapparaten Fladderprojectiel Dieper zaaien Percelen gelijktijdig inzaaien Afschot/regulering stand Kastval/vangkooi | Schade in zaaiperiode en in afrijpend gewas. Ook schade aan ingekuilde snijmaïs (gehele jaar). Het gelijktijdig inzaaien van meerdere percelen in de omgeving geeft risicospreiding. Daarnaast ook andere preventieve maatregelen treffen | | Appels, peren en kersen | pikschade | zomer en herfst | Vogelverschrikkers Vlaggen Nabootsing roofvogel Knalapparaten Vogelafweerpistool Fladderprojectiel Ratels, kleppermolentjes, rammelblikjes, angstkreten, elektronische geluidsgolven Afdeknetten Aantrekken natuurlijke vijanden Afschot/regulering stand | Soms schade in de omgeving van roekenkolonies | Een probleem bij schadepreventie is dat diersoorten kunnen wennen aan de maatregelen. Dit geldt zowel voor de visuele middelen als vogelverschrikkers en vlaggen, als voor knalapparaten en geurstoffen. Het is daarom van groot belang dat middelen regelmatig verplaatst worden en afwisselend en door elkaar heen worden toegepast. Over het algemeen kan gesteld worden dat hoe afwisselender en onvoorspelbaarder, hoe hoger de effectiviteit
|
|