Nijlgans (Alopochen aegyptiacus)

De Nijlgans wordt een steeds vaker voorkomende verschijning in de Nederlandse fauna. Er is geen houden aan; deze soort plant zich gemakkelijk voort, soms ten koste van andere watervogels. Ook als jachtvogel krijgt de Nijlgans aanzienlijke meer betekenis.
De Nijlgans (Alopochen aegyptiacus, en ook wel vosgans genoemd) is een blijvertje. Overal in het land kunnen paartjes Nijlgansen worden waargenomen. Buiten broedtijd leven ze ook in troepen, van rond een dozijn vogels tot en met grote concentraties. Wie bijvoorbeeld langs de maasplassen in Mid
den Limburg fietst, ziet in de weilanden en op de plassen soms honderden Nijlgansen en verbasterde Grauwe gansen bij elkaar zitten. In veel stadsparken en singels zitten Nijlgansen. Ze zijn verspreid over het gehele land, in feite over heel Europa.
Algemeen:
De Nijlgans is geen echte gans, maar eigenlijk een gansachtige eend, verwant aan de Bergeend. Het is een prachtige vogel, met een verenkleed dat verloopt van lichte grijs-groentinten naar rood en oker. Ze hebben een donkerbruine vlek op de onderborst. Om hun hals hebben ze een eveneens donkerbruine kraag. De iris is rood van kleur, de poten en snavel zijn roze. Kenmerkend is ook de roodachtige “bril” rond de ogen. Tijdens de vlucht vallen vooral de witte bovenste vleugeldelen op. Er zijn ook al enkele kleurvarianten gezien: heel lichte (blonde) vogels en zelfs geheel witte dieren. De lengte van de vogel is rond de 70 cm, het gewicht meestal iets meer dan 2 kilo.
De nijlgans is een uit Afrika afkomstige soort. De huidige populatie is ontstaan door ontsnappingen uit particuliere watervogelcollecties.
In 2000 was de Limburgse populatie gegroeid tot circa 100 tot 150 paar. De afgelopen jaren is er sprake van een verdere groei en daarmee gepaard gaande verdringing van inheemse fauna. Waarnemingen van groepen van honderden exemplaren in onze jachtvelden zijn geen uitzondering meer.
Hoewel inmiddels standvogel, zijn Nijlgansen in Nederland niet inheems. De vogel komt oorspronkelijk uit het stroomgebied van de Nijl. Al in de zeventiende eeuw werden ze in Europa ingevoerd om als siervogel te worden gehouden. Sinds ongeveer een kwart eeuw komen ze bij ons ook in de vrije natuur voor. Het gaat om dieren die uit particuliere vogelcollecties zijn ontsnapt, en zich op hun vrije vestigingsadressen succesvol hebben voortgeplant.
Goede overlevers
Ondanks de afkomst uit zeer warme streken, blijkt de Nijlgans zeer goed te gedijen in ons redelijk milde klimaat. Ze overleven zelfs de strengste winters, voor zover deze tenminste nog voorkomen. De voortplanting verloopt eveneens voorspoedig. Het vrouwtje legt tussen de zes en acht eieren. De pullen brengen het vrijwel altijd alle tot volledige wasdom; de Nijlgansouders beschermen hen met een aan fanatisme grenzende agressie. Agressie is trouwens toch het handelsmerk van de Nijlgans. Ze “kraken” nesten van andere watervogels en zelfs van kraaien in hoge bomen zijn voor hun geen probleem. Dit jaar heb ik zelf waargenomen dat zij een nest waar de havik al jaren broedde hebben gekraakt en de havik is moeten verhuizen, dat wil wat zeggen hoe sterk en brutaal ze zijn. Ik heb zelf waargenomen dat ze in een hoge boom +/- 20 meter hoog broeden. De pullen laten zich gewoon omlaag vallen en overleven dit zonder verwondingen. Veel nesten van de inheemse Grauwe Ganzen worden het liefste gekraakt en ze jagen de oorspronkelijk bewoners op de vlucht. Eenden e
n meerkoeten, toch ook geen lieverdjes, worden zonder pardon aangevallen. Pullen van ander eend- en gansachtigen zijn evenmin veilig. Nijlgansen hakken met hun sterke snavels op de jonge vogels in, net zo lang totdat ze verdrinken. Het zijn ware killers, vooral in broedtijd en in de periode dat ze zelf kuikens hebben. Daarbuiten worden ze wel eens in gezelschap van andere ganzensoorten gezien.
De Nijlgans wordt nu ook als diersoort belangrijker als wildsoort voor de consumptie. De vogel kan worden bejaagd op grond van de Artikel 67 en 68 van de Flora- en faunawet en artikel 4 van het daaraan gekoppelde Besluit beheer en schadebestrijding dieren, tenminste als Gedeputeerde Staten van de provincies daartoe een zogeheten “aanwijzing” geven. Artikel 67 is te vergelijken met artikel 54 van de voormalige Jachtwet. Dit houdt in dat de Nijlgans het gehele jaar met het geweer bejaagd mag worden, uiteraard door de houders van een jachtakte, op terreinen die voldoen aan de eisen die aan jachtvelden worden gesteld. Maar nogmaals: het mag alleen als er een provinciale aanwijzing is zoals deze ook in Limburg is afgegeven aanwijzing artikel 67 provincie Limburg juli 2005.De Jacht 
Aanleiding bestrijding: artikel 67 FF-wet en bijlage 2 AMVB Beheer en Schadebestrijding en aanwijzing artikel 67 provincie Limburg juli 2005 voorkomen van landbouwschade en bescherming fauna.
De Jacht op nijlgansen wordt bij ons alleen maar gedaan voor de schade bestrijding en de ganzenbuit geldt meestal als “bijvangst” op een reguliere jachtdag.
Is de kans op een Nijlgans louter een toevalstreffer? Dat hoeft niet, er kan ook gericht op ze worden gejaagd. Net als bij veel andere vogelsoorten, vertoont het gedrag van Nijlgansen een redelijk vast patroon. Ze hebben hun favoriete foerageerplaatsen, routes om naar open water te vliegen, plekken waar ze graag rusten, en zo meer. Wie dat patroon ontdekt en doorziet, kan “op de trek” gaan staan. Daarbij kunnen reeds geschoten Nijlgansen, al is het er maar één, uitstekend als lokker dienen. Leg de geschoten vogel(s) met gespreide vleugels, zodat de witte vleugeldelen goed zichtbaar zijn, op het land of het gras en de kans is groot dat de overvliegende ganzen er op trekken. De jager moet zich daarbij wel goed weghouden, want Nijlgansen zijn soms (niet altijd) bijzonder ril. Dit spel kan ook worden beoefend met plastic lokganzen, waarop met verf of witkalk de witte vleugeldelen zijn gemarkeerd.
Hoe krijg je de ganzen op de wieken? Dat is niet zo moeilijk. Het is voldoende dat één “medestander” met een omtrekkende beweging achter de in het weiland rustende vogels langsloopt. Ze zullen dan vanzelf opvliegen, wellicht in de richting van waar de geweren zich met hun lokmiddelen hebben opgesteld. Hoe beter het gedragspatroon van de dieren in het veld wordt doorzien, hoe vaker men ze in de vliegroute zal kunnen bejagen.

Harde vogels met dicht verenpak
Voor Nijlgansen geldt het credo “schiet niet als je niet zeker weet dat je een dodelijk schot kunt afgeven” met stip. Het zijn harde vogels, met een zeer dicht verenpak. Eigenlijk is het enige goede schot een kopschot. Dat kan en mag overigens ook met de .22 kogelbuks. In sommige gevallen is het mogelijk de dieren met zo’n buks aan te bersen en met een kopschot te pakken. In dit geval liggen schoten met een afstand van maximaal circa 100 meter binnen het bereik, tegen maximaal 30 meter bij schoten met hagelgeweren.
Aangeschoten Nijlgansen hebben de neiging om naar het dichtstbijzijnde open water te trekken. Daar kunnen ze vaak alsnog worden bemachtigd.
Wildbraad
De jager, die thuiskomt met een geschoten Nijlgans, mag met reden hartelijk worden begroet. De borstfilets van deze vogels vormen fijn wildbraad en zijn uitgesproken lekker van smaak. Het beste is om ze als dikke biefstukken te behandelen: aanschroeien in uitgebruiste boter en dan nog een paar keer om en om in de pan. Reken op tussen zes tot negen minuten per kant. De binnenkant moet rosé blijven. Het vlees is dicht van structuur, reden waarom het evenmin een slecht idee is om de borstdelen in twee dunnere plakken te snijden en deze als biefstuk te bakken. Combineer het vlees met een saus en/of bijgerecht waarin vooral vruchten een rol spelen: bessen, frambozen, vlierbessen, appels, sinaasappels, pruimen, abrikozen. De borstfilets kunnen ook heel goed worden gerookt. Tevens kunnen ze prima als suddervlees worden bereid. In blokken snijden, peper en zout er op, even door de bloem, aanbakken, runderbouillon of een Belgisch biertje plus kruiden (laurier, peper, jeneverbes) erbij, en dan urenlang laten sudderen op het allerlaagste pitje.
In navolging van Nijlgansen worden de laatste tijd ook steeds meer Canadese ganzen en Casarca eenden gesignaleerd in het vrije veld, zeer waarschijnlijk ook afkomstig uit particuliere vogelcollecties. Deze dieren voelen zich hier eveneens kennelijk goed thuis, en planten zich voort. Er is ook al een broedgeval bekend van een paartje bestaande uit een Canadese gans en een Grauwe gans…