De grauwe gans(Anser anser)

grauwe grans deze komt nu in bijna heel Nederland als standwild voor.

 

 

Voorkomen en trend landelijk:
Sterk toegenomen broedvogel van moeras- en watergebieden in geheel Nederland. Trekvogels komen voor vanaf augustus tot en met maart; wintergast in grote aantallen. Trek naar ruigebieden (Flevoland, Friese IJsselmeerkust) gedurende de zomer (mei, juni, juli) van dieren o.a. uit Scandinavië Duitsland, Polen. Er zijn in het seizoen 2002/2003 meer dan 1,5 miljoen ganzen in Nederland geteld.

Het aantal broedende Grauwe Ganzen is in de afgelopen 20 jaar sterk toegenomen in Nederland en heeft onder andere geleid tot schade aan landbouwgewassen. De toenemende landbouwschade is aanleiding geweest voor de drie Limburgse Faunabeheereenheden om te starten met het beheren van de broedpopulatie in de provincie Limburg. Over de te verwachte effecten van beheerscenario’s op de populatie- en landbouwschadeontwikkeling was echter weinig bekend door het ontbreken van kennis over de populatiebiologie en de aantalontwikkeling in Limburg. Hierdoor was het moeilijk om een passend beheer uit te voeren waarbij de duurzame instandhouding van de populatie niet in gevaar komt en belangrijke landbouwschade zoveel mogelijk wordt voorkomen. De FBE Limburg heeft hiervoor een rapport laten opstellen dat handvatten biedt voor de planvorming ten aanzien van de populatie Grauwe Gans in Limburg.

Overzomerende ganzen in Nederland
Het aantal in Nederland broedende en daarmee overzomerende ganzen is de laatste jaren snel toegenomen. In 2005 herbergde Nederland ongeveer 25.000 paar broedende ganzen verdeeld over dertien soorten.
De meeste broedende ganzen worden gevonden in de provincies Gelderland, Noord - en Zuid-Holland en Zeeland. Dit leidt tot conflicten met de landbouw en met natuurdoelstellingen binnen het natuurbeheer. De schade aan de landbouw wordt niet alleen veroorzaakt doordat deze dieren gras eten. Ook worden graslanden ongeschikt voor vee door de grote hoeveelheden ontlasting van ganzen. Onder natte omstandigheden verslempen graslanden en akkerpercelen waardoor gewassen minder snel groeien.
Ook de natuur leidt onder de toegenomen druk van zowel grazende als zich ontlastende ganzen. Plaatselijk worden rietzones en bloemrijke graslanden opgegeten en verstoren de rustende ganzen bijvoorbeeld de kwetsbare broedvogels en worden voedselarme vennen verrijkt.
Vooral wanneer landbouwgronden gelegen zijn rond de broedgebieden is er een potentieel risico voor schade aan de landbouw. Als de eieren zijn uitgebroed, zoeken de paren met hun jongen vooral graslandpercelen op die grenzen aan open water. Het korte eiwitrijke gras is van cruciaal belang bij de groei van de jongen. Paren die hun jongen groot willen brengen in gebieden met ruige grasvegetaties hebben over het algemeen niet meer dan twee tot drie vliegvlugge jongen. Paren die in gunstige omstandigheden leven met veel kort, liefst goed bemest gras, brengen meer dan vijf vliegvlugge jongen groot.
Buiten de broedvogels zijn er ook vogels die (nog) niet broeden die schade aanrichten. Het gaat om jonge nog niet broedrijpe vogels en oudere (alleenstaande) vogels en tevens vogels waarvan het broedsel in een vroeg stadium mislukt is. Deze groep zogenaamde “zwervers” veroorzaakt de meeste overlast en schade omdat ze gedurende het gehele groeiseizoen van de gewassen op de landerijen komen.

De analyse van telgegevens van de instanties SOVON, KNJV/NOJG/Wildbeheereenheden en LLTB en de Provincie Limburg hebben inzicht gegeven over de populatiebiologie van de Grauwe Gans in Limburg en vormt de basis voor de inschatting van het effect van beheerscenario’s op de populatieontwikkeling. Informatie over beheerscenario’s zijn ontleend aan de literatuur. Ook is de landbouwschadeontwikkeling in relatie tot de aantalontwikkeling onderzocht. Hiervoor zijn de getaxeerde landbouwschadegegevens van het Faunafonds geanalyseerd. Daarnaast is het aantal geschoten ganzen inzichtelijk gemaakt tijdens schadebestrijdingsacties in Limburg


Voorkomen en trend in Limburg:


 

 

 

De verwilderde gedomesticeerde grauwe gans is een afstammeling van de grauwe gans, die in Limburg ook in wilde staat voorkomt. In Limburg, met name in het maasdal, is de verwilderde gedomesticeerde grauwe gans plaatselijk talrijk. Onder verwilderde gedomesticeerde grauwe ganzen worden alle witte en bonte grauwe ganzen begrepen, alsmede kruisingen daarvan met andere ganzensoorten. In Limburg is het aantal toenemende broedvogels fors toegenomen, met als zwaartepunt  het Maasplassengebied van Midden-Limburg.

De populatie Grauwe Gans in Limburg bestond anno 2005 uit circa 6.000 ganzen, waarvan tussen de 1600 en 1650 ganzen (800-825 broedparen) actief deelnemen aan de reproductie. De Limburgse populatie vormt samen met de populatie in Kreis Viersen en Belgisch Limburg één populatie = de ‘Maasdalpopulatie’. Het aantal broedparen in Kreis Viersen en Belgisch Limburg zijn gelijk gebleven sinds enkele jaren. De Maasdalpopulatie bestaat uit circa 9.000 ganzen, waarvan naar schatting 2.500 ganzen actief deelnemen aan de reproductie.

De hoogste concentratie aan Grauwe Ganzen (broedparen) komt voor in het Maasplassengebied (475 paren). Deze deelpopulatie is sinds enkele jaren redelijk stabiel en verwacht wordt dat het aantal broedparen niet meer zal toenemen, omdat door de predatiedruk van vossen het aantal geschikte broedplekken nu al limiterend is voor het aantal broedparen.

In het noorden van Limburg nemen de aantallen nog steeds toe. Natuurontwikkeling en natuurherstel hebben de soort in de kaart gespeeld, waardoor geschikte broedplekken zijn ontstaan. Het gebrek aan geschikt foerageergebied (cultuurgrasland, direct grenzend aan broedgebieden) zal voorkomen dat de aantallen spectaculair toenemen. Het aandeel overwinterende Scandinavische ganzen is waarschijnlijk gering (naar schatting minder dan 10%). Limburg is als overwinteringgebied niet in trek bij Noorse en Zweedse ganzen maar wordt hooguit aangedaan als pleisterplaats tijdens de trek naar zuidelijker gelegen overwinteringgebieden. Het broedsucces van de Limburgse Grauwe Ganzen (gebaseerd op de verzamelde gegevens in 2005) in en rond het Maasplassengebied is naar schatting 0,9 kuiken per paar en ligt daarmee 0,3 boven het minimale broedsucces van 0,6 kuiken per paar om de aantallen in een populatie gelijk in aantal te houden wanneer er geen afschot is maar enkel natuurlijke sterfte.

De provincie Limburg heeft een aandeel van bijna 8% in de totale getaxeerde schade die jaarlijks in Nederland wordt veroorzaakt door Grauwe Ganzen in de zomerperiode. Er is geen directe relatie tussen de toegenomen aantallen ganzen en de getaxeerde schade.


De grauwe gans heeft zich sinds 1995 gevestigd als standwild in het beheergebied van onze wildbeheereenheid, eerst waren dat maar 2 koppels, die inmiddels zijn uitgegroeid tot zo'n 30 koppels welk hun broedplaatsen hebben op de noordelijke grens van het beheergebied van de Wildbeheereenheid "Susteren/Graetheide"  namelijk in het Natuurgebied “de Doordt”, zij foerageren dan geregeld in het beheergebied. De stand heeft veel te lijden gehad tijdens het broedseizoen 2002 van de vos, daar de broedende ganzen, dan een gemakkelijke prooi zijn.  

In de winter neemt de stand van de ganzen ( grauwe gans, kleine- en grote rietgans) enorm toe tot elke duizenden stuks. Tot nu toe hebben zich in ons beheergebied nog geen of nauwelijks noembare schade voorgedaan in het beheergebied van onze WBE. Maar door de grote aantallen die elk jaar toenemen en de toename van graanpercelen, zal ook het risico op schade toenemen.

Voedsel:

Een Grauwe Gans is een echte vegetariër. Een gans eet gemiddeld 500 gram vers gras per dag (Teixeira 1979). In de winter vormen opgegraven knollen en zetmeelrijke ondergrondse wortel- en stengeldelen van diverse plantensoorten, zoals zeebies, zeeaster, riet en lisdodde, een belangrijke voedselbron. Daarnaast worden grassen, wintergraan en blad van kwelderplanten gegeten (Schekkerman et al., 2000). In het voorjaar en in de zomer vormen groene delen van planten zoals grassen, riet en granen een belangrijke voedselbron. Wat later in het seizoen worden ook graszaden uit de aren geconsumeerd. In de ruiperiode hebben ganzen veel eiwit nodig. In deze periode eten ze daarom ook voedsel met een hoog eiwitgehalte, met name korte grasvegetaties. Ook kuikens foerageren samen met de ouders op korte grasvegetaties. Vegetaties in de groeifase bevatten namelijk een hoog percentage eiwit. De oudere jongen zijn in staat ruigere grassen te verwerken (Schekkerman et al., 2000). In het najaar vormen oogstresten, zoals aardappelen, granen en bieten een belangrijke voedselbron. Uit een analyse van schadegegevens (Van der Jeugd et al., 2005) is op te maken dat het overgrote deel van de ganzen foerageert op gras. In de natuurgebieden eten ganzen voornamelijk gras, riet en waterplanten. Omdat ze ook op plekken komen, waar paarden en runderen niet kunnen komen, groeien moerassen hierdoor minder snel dicht. Grauwe Ganzen vormen daarmee een belangrijke schakel in het moerasecosysteem.

Broedbiologie:

De broedtijd van de Grauwe Gans in Nederland vindt plaats van eind februari tot begin mei. Grauwe Ganzen broeden in gebieden met een dichte vegetatie en waar mogelijk op een eiland of op locaties die moeilijk bereikbaar zijn voor predatoren. Waar zulke veilige plekken schaars zijn wordt vaak in kolonievorm gebroed (Teixeira, 1979). Het nest wordt gemaakt van plantenmateriaal of afval dat in de omgeving aanwezig is. De kom van het nest wordt bedekt met donsveren. Bij het verlaten van het nest wordt het nest toegedekt met donsveren. In een gebied waar nestmateriaal nagenoeg ontbreekt wordt in een kuiltje op de grond gebroed (Hustings et al., 1985). Dagelijks wordt er één ei gelegd. In West-Europa bevat een nest meestal 5-7 eieren, de in Nederland gevonden waarden zijn gemiddeld 5,9. Naar het noorden toe neemt de legselgrootte iets af (Schekkerman et al., 2000). De broedduur bedraagt 27-28 dagen (Cramp & Simmons, 1977). Grauwe Ganzen leggen eerst bijna al hun eieren (vaak op 1 of 2 na) en gaan dan pas broeden, zodat vrijwel alle eieren gelijktijdig uitkomen (Voslamber, 2005, persoonlijke communicatie). Uitgaande van gemiddeld 6 eieren per nest, het leggen van één ei per dag en een broedtijd van 28 dagen is de totale ligduur van het eerste ei 34 dagen. Als het wijfje op de eieren zit, blijft het mannetje, gent of ganzerik genaamd, altijd in de buurt, om bij het alarm van het wijfje toe te snellen (Vera, 1998). Wanneer het nest wordt verstoord voordat ze gaan broeden of als ze nog maar net broeden, is de kans op een tweede poging aanwezig (Voslamber, 2005, persoonlijke communicatie). Kuikens worden geboren tussen eind maart en begin juni (Schekkerman et al., 2000). Ganzen blijven trouw aan hun partner en broedgebied. Vrouwelijke ganzen trekken veelal terug naar het gebied waar ze geboren zijn, terwijl mannelijke exemplaren iets vaker naar een ander gebied trekken. Volgens Schekkerman et al. (2000) kan dit gebeuren doordat zij in de winter paren met een uit een ander gebied afkomstige gans.

Kuikens:

Na het uitkomen van de eieren gaan de ouders met de jongen naar een plek met korte grasvegetatie, grenzend aan open water om voedsel te zoeken. De ouders brengen samen de kuikens groot. In het water en op het land zwemmen of lopen de kuikens, meestal met vier tot vijf stuks, altijd tussen de ouders in. In gebieden met meerdere stellen vindt vaak samenscholing plaatst. Ouders staan dan gezamenlijk op de uitkijk voor gevaar. Het water doet dienst als vluchtplek bij gevaar. Het opgroeigebied van de kuikens hoeft niet in de directe omgeving van de broedplaats te liggen. Er worden soms grote afstanden afgelegd, tot 10 kilometer of meer (Schekkerman et al., 2000). Dit gebeurt veelal zwemmend, maar ook kunnen stukken worden gelopen.Tijdens deze reis zijn de kuikens extra kwetsbaar voor predatoren, weersomstandigheden en antropogene invloeden. Wanneer in het opgroeigebied weinig grasland grenzend aan water aanwezig is, lijkt de kans op predatie groot. In Nederland is volgens Schekkerman et al. (2000) het aantal uitgevlogen jongen per broedpaar tussen 2.0 en 4.2 (gemiddeld 2.7). Terwijl de jongen opgroeien om “vliegvlug” te worden, ruien de ouders. De kuikens zijn met 50-60 dagen vliegvlug en blijven vaak tot het einde van hun eerste winter bij de ouders (Cramp & Simmons, 1977).

Predatoren:

De Grauwe Gans heeft wat gevaren betreft nog heel wat van zijn omgeving te duchten. In Nederland is de Vos (Vulpes vulpes) de belangrijkste predator (Schekkerman et al., 2000). Andere predatoren zijn Zwarte Kraai (Corvus corone), grote meeuwen, Bunzing (Mustela putorius) en Steenmarter (Martes foina), maar het is twijfelachtig of zij op meer dan zeer lokale schaal een grote invloed kunnen hebben op het broedsucces.

Trekgedrag:

Seizoenstrek In Europa worden verschillende populaties Grauwe Ganzen onderscheiden, die elk een eigen broed- en overwinteringgebied kennen, en waartussen weinig uitwisseling van vogels plaatsvindt. De Nederlandse populatie bestaat zowel uit stand- als trekvogels en vormt samen met de Duitse, Poolse en Scandinavische Grauwe Ganzen één populatie. Ze overwinteren in meerderheid in Nederland en Zuidwest-Europa.

Ruitrek (zomer)

Evenals vele andere watervogels verzamelen Grauwe Ganzen zich in de zomer op speciale ruiplaatsen om de slagpenrui door te maken. Ganzen ruien al hun slagpennen tegelijk waardoor ze erg kwetsbaar zijn voor predatoren. Rond half mei verschijnen de eerste trekkende Grauwe Ganzen. Deze ruiers in spé zijn in het noordoosten van het land, op weg naar o.a. de Oostvaardersplassen een opvallend verschijnsel. Kleinere aantallen worden gezien in minder belangrijke ruigebieden. Gebieden die de combinatie van rust, veiligheid (water) en voldoende voedsel kunnen bieden worden in deze ruiperiode gebruikt. In de jaren tachtig groeide de Oostvaardersplassen uit tot de grootste ruiconcentratie in West-Europa, met een maximum van 62.000 Grauwe Ganzen in 1992 (Dubbeldam & Zijlstra, 1996). Volgens aflezingen van gemerkte vogels gaat het vooral om ganzen van oostelijke origine, zoals het oostelijk deel van Duitsland, Polen, Tsjechië en Oostenrijk (Zijlstra et al., 1991). Recent nemen de aantallen ruiers in de Oostvaardersplassen af. Daarbij speelt de ontwikkeling van het eiland Saltholm, in de Øresund tussen Denemarken en Zweden als nieuwe ruiplaats mogelijk een belangrijke rol (Koffijberg et al., 1997). In 1994 ruiden hier 9.100 vogels, voornamelijk afkomstig van Zweedse en Deense broedgebieden (Fox et al., 1995). De rui vindt plaats van mei tot en met juli.

Najaar (winter) trek:

Half augustus begint de najaarstrek met de binnenkomst van ganzen in Noord-Nederland. Uit onderzoek met halsbanden is gebleken dat het hier vrijwel uitsluitend om Noorse vogels gaat. In de eerste helft van oktober nemen de aantallen in Nederland snel toe. Er verschijnen dan ook Grauwe Ganzen uit Zweden, Duitsland en Oost-Europa (Voslamber et al., 1993). Het hoogtepunt valt in de meeste jaren in de laatste week van oktober en de eerste week van november. Belangrijkste concentraties zijn in die periode te vinden in de Dollard, omgeving van het Lauwersmeer, in Zuidwest Friesland, de IJsseldelta, Zuidelijk Flevoland en het noordelijk Deltagebied. Vooral in de eerste helft van november vindt vaak massale doortrek plaats. Het Verdronken land van Saeftinge aan de Westerschelde heeft zich gedurende de jaren tachtig ontwikkeld tot een belangrijke overwinteringsplaats. Vanaf 1990 zit daar ongeveer 50% van de januari-aantallen. Volgens Koffijberg (2003) domineren de eigen broedvogels in september steeds meer, en daalt het aantal noordelijke vogels, met name die uit Noorwegen. Een uitwerking van ringgegevens van Leif Nilsson, Hakon Persson en Arne Follestad bevestigt deze trend. Niet alleen de Noorse vogels, ook die uit Zweden arriveren steeds later in het najaar in Nederland. De Noren blijven steeds langer in Noorwegen/Denemarken pleisteren, terwijl de Zweedse vogels de bietenresten als voedselbron in Zweden hebben ontdekt, en daar nu tot laat in het najaar van de bietenoogst profiteren. Een belangrijk deel van deze vogels overwintert ook niet meer in Zuid-Spanje, maar blijft de winter over in het Deltagebied (Koffijberg, 2003).

Voorjaarstrek:

Rond half februari begint de voorjaarstrek. De sterkste passage vindt eind februari en begin maart plaats, vooral over de regio’s westelijk Noord-Brabant, Utrecht, Flevoland, Friesland en Groningen. De trek houdt hieraan tot eind maart (Witkamp, 2002). De terugkeer naar de broedgebieden wordt als eerste ingezet door de vogels uit het oostelijk deel van Duitsland en Zweden (en waarschijnlijk ook Denemarken), vervolgens die uit Noorwegen. De laatste groepen vertrekken pas in de tweede helft van april (Koffijberg et al.,1997).

Oorzaken toename schade en overlast ganzen.


De toenemende overlast en schade van ganzen loopt parallel aan de explosieve groei van de
ganzenpopulaties. Het toenemende eiwitrijke voedselaanbod in de landbouw en de talrijke
waterrijke rust- en broedgebieden in ons land gecombineerd met de beschermingsmaatregelen voor
ganzen zijn belangrijke oorzaken voor de toename van het aantal ganzen in ons land. De volgende
maatregelen (niet uitputtend) beperken momenteel het effectief bestrijden van ganzenschade:

  • Het beëindigen van de ganzenjacht.

  • Het niet (laten) beheren van standganzen door terreinbeherende organisaties (tbo’s) in
    gebieden vallende onder de vogel- en habitatrichtlijnen. In het overgrote deel van de
    natuurgebieden, die niet onder dit regime vallen, maken de terreinbeherende organisaties
    ons inziens onvoldoende gebruik van ontheffingen, waardoor in de natuurgebieden levende
    populaties aanzienlijk groeien.

  • Het verder ontwikkelen van nieuwe ‘natte natuur’ in kwetsbare agrarische gebieden,
    waardoor nieuwe broed- en rustgelegenheid voor ganzen worden gecreëerd.

  • Het beschermen van ganzenpopulaties in natte natuurgebieden zonder voldoende
    foerageermogelijkheid in het gebied zelf aan te leggen, waardoor ganzen noodgedwongen
    ‘de boer op gaan’.

  • Het scheiden van verantwoordelijkheden van de provincie (vergunningverlener) en het
    Faunafonds (schadebetaler). De indruk bestaat dat soms provincies terughoudend zijn met
    het verlenen van ontheffingen voor schadebestrijding, omdat het vergoeden van de
    ganzenschade niet ten laste komt van de provinciale middelen.

  • Het opnemen van niet noodzakelijke beperkingen in provinciale ontheffingen en
    vrijstellingen, zoals onnodige tijdsbeperkingen, het verbod van lokfluit en lokkers, eisen
    gebruik wildwerende middelen, onnodige beperkingen in ganzensoorten die mogen worden
    verjaagd met ondersteunend afschot, onnodig arbeidsintensieve administratieve eisen etc.

  • Het handhaven van bepaalde voor ganzen onaantrekkelijke maar kostbare
    foerageergebieden, waardoor fondsen voor nieuwe aaneengesloten (zonder witte vlekken)
    opvanggebieden elders verloren gaan.

  • Het ontbreken van een gecoördineerde aanpak van alle betrokken partijen.

Persoonlijkheid van ganzen bepaalt foerageergedrag

Trage, verlegen brandganzen laten zich bij het voedsel zoeken leiden door informatie van soortgenoten. Vlotte, dappere ganzen negeren daarentegen zulke informatie en gaan zelfstandig op verkenning om voedselbronnen op te sporen. Het gebruik van sociale informatie - van soortgenoten - is bij brandganzen afhankelijk van hun persoonlijkheid, concluderen Wageningse ecologen met collega's van het NIOO in het tijdschrift Ecology Letters.

De onderzoekers van Wageningen Universiteit en het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) bepaalden de persoonlijkheid van de brandganzen door te kijken hoe ze reageren op een voor hen onbekend voorwerp, zoals een stuk tapijt. Sommige ganzen blijken direct en zonder angst ('dapper') toe te stappen op het voorwerp, terwijl andere ganzen juist langzaam en omzichtig ('verlegen') het onbekende voorwerp bejegenen.

Experiment
Om te achterhalen of en hoe brandganzen sociale informatie gebruiken zette het onderzoeksteam een experiment op. Zowel 'dappere' als 'verlegen' ganzen kregen ieder afzonderlijk de gelegenheid om gedurende anderhalve minuut te kijken naar twee groepjes brandganzen. De ene groep ganzen kreeg geen voedsel aangeboden, de andere groep wel. Door het verschil in voedselaanbod was het gedrag van deze groepjes ganzen verschillend. Dit gedragsverschil, zichtbaar voor de toekijkende gans, is een bron van sociale informatie over het voedselaanbod. De gans mocht na een periode van toekijken beslissen naar welke groep het dier toe ging. Daarbij kon de gans alleen voedsel vinden aan die zijde waar de geobserveerde ganzen voedsel hadden gekregen.

Persoonlijkheid
Het blijkt dat alleen de verlegen dieren zich voegen bij de groep die aan het eten is, terwijl de dappere dieren de sociale informatie negeren en zelf op onderzoek uitgaan. De persoonlijkheid van de ganzen is doorslaggevend of ganzen wel of niet gebruikmaken van sociale informatie. In een vervolgexperiment testten de onderzoekers of de verlegen ganzen gebruik blijven maken van de informatie als die niet meer klopt. Wederom waren er twee groepjes, met en zonder voedsel. Deze keer echter was het voedsel voor de toekijkende gans te vinden aan de kant waar de ganzen geen eten hadden gekregen.

Informatie genegeerd
De onderzoekers zagen hoe de ganzen zich de eerste paar keren bij de groep voegden die ze zagen eten. Na een aantal keren besloten de ganzen om dit niet meer te doen omdat de sociale informatie die de geobserveerde ganzen leverden niet meer klopte met de locatie van het voedsel. De verlegen ganzen leerden dus dat de sociale informatie niet meer klopte en besloten om deze informatie niet meer te volgen bij het kiezen van een groep. De dappere ganzen gebruikten de informatie sowieso niet en lieten zich dan ook niet foppen door verkeerde informatie.

Rol bij verspreiding van populaties
De gedragsstudie toont aan dat persoonlijkheid een belangrijke rol speelt in het gebruik van sociale informatie. Dit heeft gevolgen voor de ruimtelijke verspreiding van populaties in soorten waarbij het gebruik van sociale informatie een rol speelt, zoals bij het kiezen van een landingsplek. Tot nu toe wordt er namelijk van uit gegaan dat elk individu een gelijke kans heeft om gebruik te maken van informatie van soortgenoten. De Wageningse studie toont aan dat persoonlijkheid een rol speelt bij het gebruik van deze informatie en dus voor de ruimtelijke verspreiding van verschillende persoonlijkheden in een populatie.

(bron: Wageningen UR, 19/05/2010)

Instandhouding/ontwikkeling: De Grauwe Gans neemt vermoedelijk in de nabije toekomst verder toe. De Grauwe Gans wordt gerekend de ‘weinig kwetsbare soorten. Het broeden in natuurgebieden vervult een belangrijke rol in die levensgemeenschappen doordat de ganzen het gebied open houden.

Status :
- Beschermde inheemse diersoort.
- Geplaatst op de provinciale vrijstellingslijst voor grondgebruikers voor opzettelijk
verontrusten in de gehele provincie op schadegevoelige percelen, met uitzondering van
gebieden waarvoor een gedoogovereenkomst is afgesloten.
 

Status Vogelrichtlijn:
Geplaatst op bijlage 11/1 (soorten waarop mag worden gejaagd in heel Europa).
Geplaatst op bijlage 111/2 (soorten d onder beperkingen in de handel en verkoop mag worden genomen) Niet geplaatst op de overige bijlage.

 
Schadebeeld:

  • granen (zomer- en winter-)

vraatschade en vertrappen ( december tot maart) en mei t/m augustus.)

  • aardappelen (poot- en consumptie-)

krab- en pikschade (mei t/m aug.)

  • bieten (suiker- en voeder-)

pik- en vraatschade (mei t/m aug.)

  • peulvruchten

vraatschade (mei t/m aug.)

  • gras (-land, -zaad en –zoden)

vraatschade, bevuiling, vertrapping (dec tot maart enmei t/m aug.)

  • Vollegrondsgroenten

soms vraatschade bij extreme weeromstandigheden in herfst en winter

7,6 miljoen euro schade door 1,5 miljoen ganzen in winter 2002/2003. Het betreft vooral schade voor de landbouw.
 

Schadepreventie : Alle mogelijke middelen volgens Handboek Faunaschade van Faunafonds.

Gebruik preventieve middelen.

Let op! Op alle percelen die worden gemeld voor schadebestrijding ondersteund met het geweer, dienen de vereiste preventieve middelen aanwezig te zijn. Met een tussenafstand van 100 meter dienen door de grondgebruiker vlaggen te worden geplaatst. Indien er geen jagers bij het perceel aanzitten dienen er ook akoestische preventieve middelen te worden ingezet (ritsellinten-knalapparaten). Indien de grondgebruiker kans wil maken op een tegemoetkoming in schade die ondanks de verjaging en het afschot toch ontstaat, dienen deze preventieve middelen gedurende de gehele schadegevoelige periode op het land te blijven staan. Ook adviseren wij grondgebruikers en de WBE'n een logboek aan te leggen waarin alle schadebestrijdingsacties per dag worden vastgelegd.

Preventieve maatregelen t.b.v Ganzen

  • Vogelverschrikkers

  • vlaggen

  • knalapparaten

  • Nabootsing roofvogels, ballonnen

  • Regelmatige verontrusting (verjaging/verstoring)

  • Vogelafweerpistool

  • Spannen draden

  • Afschot/verjaging

  • Regulering (afschot, schudden eieren


Aanleiding bestrijding:  het voorkomen van landbouwschade.

De grondgebruikers dienen dan ook voor de  nieuw ingezaaide percelen tarwe en gras voorzorgmaatregelen te nemen, met het plaatsen van stokken met plastic stroken en vlaggen. zie hiervoor de beschermde maatregelen in "beleidsregels voor tegemoetkoming wildschade"

Ontheffingenbeleid provincie Limburg:

Ontheffing op voorhand voor overwinterende ganzen.

De verlening van de ontheffing op voorhand zal plaatsvinden aan die faunabeheereenheden waar in het recente verleden (2000-2002) belangrijke schade door winterganzen is vastgesteld. Dit blijkt uit de gegevens van het Faunafonds die deze gebieden op basis van driecijferig postcodegebieden in kaart heeft gebracht. De WBE'n die deze postcodegebieden binnen hun werkgebied hebben liggen kunnen op voorhand toestemming van de FBE krijgen om deze ontheffing te gebruiken. Kolganzen, rietgansen en grauwe gansen in Jachtveld te Dieteren winter 2003-2004

Wanneer geen ontheffing op voorhand?

WBE'n die volgens het Faunafonds uit het recente verleden geen belangrijke schadeverleden kennen, krijgen de ontheffing niet op voorhand doorgeschreven. Indien zij onverhoopt worden geconfronteerd met een belangrijke schade aan de genoemde percelen akkerbouwgewassen, vollegronds groenteteelt en/of nieuw ingezaaid grasland kunnen zij dit (terstond) melden bij de FBE en het gebruik van de ontheffing ook aanvragen. De FBE zal dan aan de provincie toestemming vragen om aan deze WBE de ontheffing door te kunnen geven. De provincie kan dan desgewenst eerst een onderzoek instellen naar de noodzaak van deze ontheffing.

De wijze van melding en het gebruik.

Alle bij de ontheffingverlening betrokken partijen hebben de intentie uitgesproken om het gebruik van de ontheffing voor gebruikers zo praktisch mogelijk te maken. Juridische randvoorwaarden van de Wet en de inmiddels opgebouwde jurisprudentie zijn daarbij kaders die gevolgd moeten worden. Dit maakt een beperkt aantal handelingen noodzakelijk.

Maken van schadekaarten.

Per WBE-gebied waar in de periode 2000-2004 belangrijke schade (meer dan € 115,-- per hectare, dit wordt € 250,-- is in overleg Minister LNV met provincies per bedrijf) door winterganzen is aangericht dienen kaarten te worden gemaakt waar de schadegevoelige percelen (akkerbouwgewassen, vollegronds groenteteelt en/of nieuw ingezaaid grasland) zijn aangegeven en genummerd. Deze kaarten worden binnenkort door de provincie ter beschikking gesteld en zullen in samenspraak met de LLTB en de WBE'n worden ingevuld. De schadegevoelige gebieden worden dan per WBE-gebied ingekleurd en genummerd. De grondgebruiker of jachtaktehouder kan daarna dan bij de melding van het gebruik van de ontheffing aan de FBE volstaan met het doorgeven van de naam van de WBE en het perceelnummer. De FBE geeft dan gerubriceerd per dag een overzicht door aan de provincie. Deze omslachtige procedure van de melding vooraf aan de provincie is noodzakelijk omdat uit eerdere jurisprudentie is gebleken dat deze eis, die voortvloeit uit de Europese Vogelrichtlijn, bij niet navolging kan leiden tot vernietiging van de verleende ontheffingen.

Eenmalige melding voor langere periode.

Er is met de provincie en de FBE in het voorgesprek overeengekomen dat de grondgebruiker kan volstaan met één éénmalige melding voor de gehele schadebestrijdingsperiode (tot 1 april 2004).

In herfst en winter wordt de overzomerende populatie aangevuld met Grauwe ganzen die elders broeden. Voor de schade die ganzen in deze periode kunnen veroorzaken is in 2003 door de rijksoverheid nieuw beleid vastgesteld.

Het Beleidskader gaat uit van twee belangrijke uitgangspunten. Enerzijds streeft het Beleidskader naar een duurzame staat van instandhouding van overwinterende ganzen en smienten als uitvloeisel van de internationale verantwoordelijkheid van Nederland voor beschermde soorten (Vogelrichtlijn). Anderzijds geeft het Beleidskader aan dat de omvang en toename van de schade als gevolg van overwinterende ganzen en smienten nu zodanig omvangrijk is, dat beheer noodzakelijk is.

Het Beleidskader richt zich op de kolgans, grauwe gans, en smient. Daarnaast noemt het Beleidskader ook de brandgans en kleine rietgans omdat deze vaak samen foerageren met de eerstgenoemde soorten. Beheer dat kolgans, grauwe gans, en smient betreft, heeft daarom ook invloed op de brandgans en kleine rietgans (“mengsoorten”). Met deze soorten dient dus rekening gehouden te worden.

Teneinde de schade door overwinterende ganzen en smienten aan de landbouw te beperken, en tegelijkertijd de duurzame instandhouding van deze soorten te waarborgen, wordt 80.000 hectare foerageergebied aangewezen voor kolgans, grauwe gans, smient, brandgans en kleine rietgans in Nederland. Voor de provincie Limburg betekent dit dat zij 600 hectare moet aanwijzen voor foerageergebieden.

Om de schade buiten de foerageergebieden ook daadwerkelijk te verminderen, zal optimaal gebruik gemaakt moeten worden van het lerend vermogen van de dieren. Dit betekent: binnen de gebieden zo weinig mogelijk onrust en voldoende voedselaanbod, buiten de gebieden veel onrust. Uit onderzoek is gebleken dat afschot van enkele dieren tijdens het verjagen (“aan verjaging ondersteunend afschot”) voor dit doel effectief is.

De foerageergebieden bestaan zo veel mogelijk uit overjarig gras en zij zullen zo veel mogelijk samenvallen met Vogelrichtlijngebieden. Leidend principe bij het aanwijzen van foerageergebieden is dat ganzen en smienten slaapplaatsen hebben van waaruit zij naar foerageergebieden vliegen. De slaapplaatsen liggen veelal in de Vogelrichtlijngebieden. Vanwege de beperkte actieradius van de ganzen en smienten worden de foerageergebieden dus dichtbij deze gebieden aangewezen (zie verder: “het stappenplan voor selectie van foerageergebieden door provincies in het kort”).

Vanaf 1 oktober 2004 zal binnen foerageergebieden schade door overwinterende ganzen en smienten aan overjarig gras, maar ook aan andere gewassen, worden vergoed door het Faunafonds volgens de huidige regelingen2. Daarnaast blijven de huidige ganzenopvangovereenkomsten voorlopig in stand.

Vanaf de herfst 2005 zal binnen de foerageergebieden de schade zoveel mogelijk vergoed gaan worden via SAN-pakketten (Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer). Terreinbeherende organisaties kunnen voorts gebruik maken van een vergoeding via de SN (Subsidieregeling Natuurbeheer).

Beheerpakketten op natuurterreinen binnen foerageergebieden.

Naast de agrariërs, vervullen ook de terreinbeherende organisaties een rol bij de opvang van ganzen en smienten in Nederland. Daarom biedt (naast de SAN) ook de Subsidieregeling Natuurbeheer (SN) een pakket voor de opvang van ganzen en smienten. Het betreft pluspakket ‘wintergastenweide’ (bijlage 36 van de regelingstekst).

Uit overleg tussen LNV en de terreinbeherende organisaties is gebleken dat dit pakket (dat al enige jaren bestaat) geen wijzigingen behoeft. Dit pakket blijft daarom vooralsnog inhoudelijk ongewijzigd. Bij het begrenzen van de ganzenfoerageergebieden zullen de provincies helder maken in welke gebieden welke pakketten (SAN of SN) kunnen worden aangevraagd.

 Het bevorderen van voldoende rust en voedselaanbod in foerageergebieden

Buiten foerageergebieden zullen ganzen en smienten intensief worden geweerd en verjaagd, waarbij kolganzen, grauwe ganzen en smienten deels ook met behulp van afschot worden verjaagd. Het beoogde oppervlak aan foerageergebieden zal de huidige aantallen ganzen en smienten naar verwachting alleen goed kunnen opvangen, indien een consequent opvang- en verjaagbeleid wordt gehanteerd.

Daarom is het belangrijk om binnen foerageergebieden geen handelingen uit te voeren die ganzen en smienten verontrusten.

 Wat mag dan wel, wat mag dan niet?

De jacht op “wildsoorten” (haas, fazant, wilde eend, konijn en houtduif) binnen foerageergebieden kan normaal plaatsvinden mits dat de ganzen en smienten hierdoor niet extra zullen worden verontrust. Dit geldt ook voor de vissers en de agrariërs, die normaal in deze gebieden vaak aanwezig zijn.

Om schade te voorkomen aan bijvoorbeeld akkerbouwgewassen, die binnen de foerageergebieden worden geteeld, mag te allen tijde geweerd worden – dus in principe ook ganzen en smienten - zolang daarmee de ganzen en smienten op de overige percelen in het gebied niet verontrust worden. Gedacht kan worden aan maatregelen zoals het spannen van draden.

Op percelen waar SAN-opvangpakketten of ganzenopvangovereenkomsten zijn afgesloten is weren natuurlijk niet toegestaan.

Beheer en schadebestrijding binnen foerageergebieden zal tussen betrokken partijen nog nader worden besproken. Er zal naar dit onderwerp gekeken worden vanuit de ervaring die is opgedaan in de gedooggebieden waar de afgelopen jaren ganzenopvangovereenkomsten zijn afgesloten.

Beleidszaken van belang.

Ontheffingenbeleid

Buiten de foerageergebieden zullen provincies ontheffing of vrijstelling verlenen voor het verjagen met ondersteunend afschot van kolganzen, grauwe ganzen en smienten. Daar waar brandganzen en kleine rietganzen gemengd foerageren met kolganzen, grauwe ganzen en smienten, wordt toegestaan dat brandganzen en kleine rietganzen eveneens worden verontrust. Afschot van brandganzen en kleine rietganzen is echter strafbaar. Daarom dienen jagers de nodige oplettendheid te betrachten.

Wanneer de provincie ontheffing of vrijstelling heeft verleend, dan wordt van de grondgebruiker een ferme inspanning gevraagd om schade te voorkomen vóór hij of zij met succes een beroep kan doen op een schadetegemoetkoming van het Faunafonds.

 

MAATREGELEN BUITEN DE FOERAGEERGEBIEDEN

(In juni 2004 wordt geadviseerd door het Faunafonds waarna de maatregelen definitief worden vastgesteld.)

De inzet van de Minister van LNV en de provincie Limburg is als volgt:

1. Overjarig grasland:

Om in aanmerking te komen voor tegemoetkoming in verband met schade gedurende de periode 1 oktober tot 1 april, zal op overjarig grasland het volgende worden verlangd:

  • s morgens tot 12:00u: aan verjaging ondersteunend afschot en verjaging door mensen in het veld;

  • vanaf 12:00u: verjaging zonder geweer, bijvoorbeeld door middel van mensen in het veld, vogelafweerpistolen, en honden.

Hierbij zal een planmatige aanpak worden verlangd (via bijvoorbeeld een agrarische natuurvereniging of een “wildbeheereenheid”) evenals een rapportage of verantwoording van de geleverde verjaaginspanningen. De grondgebruiker die eindverantwoordelijk is voor de schadebestrijding, kan hiervoor bijvoorbeeld de hulp inroepen van de jager, ook voor wat betreft de verantwoording.

De maximaal uit te keren schadevergoeding op overjarig gras gaat in 3 jaar tijd stapsgewijs omlaag tot een percentage van de totaal getaxeerde schade. Door de maximale vergoeding aldus in stappen omlaag te brengen, wordt rekening gehouden met het feit dat het enige tijd zal duren voor de ganzen en smienten geleerd zullen hebben waar de opvanggebieden liggen. Over de hoogte van de uiteindelijk te hanteren maximale vergoedingspercentages zal eerst nog nadere besluitvorming plaatsvinden.

2. Kwetsbare gewassen:

Om in aanmerking te komen voor tegemoetkomingen in verband met schade in de periode van 1 oktober tot 1 april op percelen met kwetsbare gewassen (akkerbouwgewassen, vollegrondsgroenten en pas ingezaaid gras) zullen de gevraagde weer- en verjaaginspanningen gelijk zijn aan de maatregelen die sinds december 2003 voor zulke gewassen gelden.

In het kort moeten er gelijktijdig minimaal twee typen verjaagmiddelen worden ingezet, te weten voldoende visuele afweermiddelen en voldoende akoestische afweermiddelen. Daarnaast is voor kolgans, grauwe gans en smient tot 12:00u ook afschot vereist.

  • De norm voor “voldoende visuele middelen” is afhankelijk van het middel. Stokken met vlaggen (formaat kunstmest- of vuilniszak), maar ook andere visuele middelen, zoals vogelverschrikkers, moeten om de 100 meter worden geplaats

  • Tot door het Faunafonds erkende akoestische middelen behoren o.a. knalapparaten (minimaal 1 per 5 hectare) en vogelafweerpistolen.

  • In plaats van akoestische afweermiddelen, kunnen ook 2mm dikke nylondraden worden gebruikt die op een hoogte van 80 cm boven het maaiveld over een perceel zijn aangebracht (minimaal 2 kruislings strakgespannen draden per hectare)

  • Gedurende de periode dat aan verjaging ondersteunend afschot van kolganzen, grauwe ganzen en smienten (minstens 2 tot 3 maal per week) plaatsvindt, behoeven geen akoestische middelen te worden toegepast.

 

Ontheffingsperiode(n)

Juni - augustus overzomerende ganzen

1 oktober – 1 april voor overwinterende ganzen ( zie beleidskader)

Ontheffingstijdstip(pen)

Zonsopkomst tot zonsondergang voor overzomerende ganzen.

Voor overwinterende ganzen van zonsopgang tot 12.00 uur met behulp van het geweer ( zie beleidskader)

Ontheffingsgebied

Op akkerbouwgewassen waar schade optreedt, inclusief pas ingezaaid grasland, graszaadteelt en vollegrondstuinbouw. (behalve de gebieden waarvoor een SAN voor opvang van ganzen en smienten is afgesloten)

Bij ontheffing toegestane middelen

Hagelgeweer, eventueel kogelgeweer

Schademeldingen (ganzen algemeen)

1996:--  0    1997:  6        1998: 1         1999: 6          2000: 11

Getaxeerde Schade (ganzen algemeen)

1996:--   0       1997: f 17.624,18    1998: f 1.918,62  

 Getaxeerde Schade (overzomerende ganzen)

1999: f 18.773,--    2000: f 28.472,57 (waarvan f 15.632,18 door overzomerende ganzen)

Tegemoetkoming in schade

Door het Faunafonds, conform door provincie en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij hier bovenvermelde regels.

Over tijdstippen en middelen.

De ontheffing wordt in principe verleend voor het gebruik van hagelgeweren en gedurende de tijd van een half uur voor zonsopkomst tot 12 uur ’s-middags. Indien aanvullende middelen gewenst en/of noodzakelijk zijn adviseren wij u contact op te nemen met de betrokken Faunabeheereenheid, die de ontheffing heeft afgegeven.

Geen gebruik lokmiddelen.

Belangrijk is te beseffen dat de ontheffing het karakter van verjaging heeft die ondersteund kan worden met afschot. Daarom mogen er geen lokmiddelen worden gebruikt op de schadepercelen en moeten geschoten ganzen zo snel mogelijk van het perceel verwijderd worden.

Praktijk.

De jager die via de WBE de ontheffing van de FBE heeft ontvangen kan, eventueel vergezeld van enkele gastjagers, bij het schadeperceel aanzitten en wachten tot de ganzen invallen. Uit iedere groep invallende ganzen schiet hij, én/of zijn gasten, gezamenlijk maximaal 2 ganzen. Uit iedere volgende invallende groep ganzen mag hij, én zijn gasten, wederom maximaal 2 ganzen per invallende groep schieten. Er is daarbij geen maximum per dag vastgesteld. De grondgebruiker kan desgewenst (bijvoorbeeld als de eigen jager te weinig tijd heeft) eventueel ook aan andere jachtaktehouders dan de gebiedseigen jager toestemming verlenen om de ontheffing op zijn gronden te gebruiken. Dit dient bij voorkeur gecoördineerd te worden door de WBE, die ook deze vervangende jagers dan de FBE ontheffing moet doorschrijven. Ook zal dan geregeld moeten worden dat voor tenminste 40 ha aaneengesloten veld toestemmingen van grondgebruikers aan de ontheffinggebruikers wordt verleend.

(Tip)

Ganzen bestreden door eieren in maïsolie te dompelen

Het bedrijf Duke Faunabeheer en de gemeente Purmerend bestrijden Canadese ganzen door de eieren van de vogels in maïsolie te dompelen. De eieren worden daardoor luchtdicht en het embryo in het ei heeft zo geen kans om zich verder te ontwikkelen. De methode zou beter werken dan het weghalen van de eieren, omdat ganzenparen dan weer nieuwe eieren leggen.

Door de ganzen in de waan te laten dat ze hun eieren uit kunnen broeden, komen de ganzen er te laat achter dat dat niet zo is. Op dat moment is het vaak laat in het seizoen en staken de vogels hun pogingen.

Bron: Noord-Hollands Dagblad, 21/04/04

Recepten gans

Voor heerlijke en eenvoudige recepten gans ga dan naar de navolgende site, smakelijk eten.

http://www.clm.nl/publicaties/data/brochureganzenbord.pd

Terug

 

Disclaimer  WBE

E-mail: info@wbesusteren.demon.nl

Laatst gewijzigd

20-05-2010