Choke hagelgeweren en de te gebruiken patronen voor de jacht

Verder schieten met hagel is altijd een uitdaging. Een dikke honderd jaar geleden werd uitgevonden dat wanneer je de loopmond vernauwde de loodhagel dichter bij elkaar bleef, waardoor op afstand een betere dekking ontstond. De choke werkt anders met alternatieve hagelsoorten dan met lood, reden om dat uit te zoeken!

Bijna alle hagelgeweren zijn voorzien van een choke. De mate van vernauwing kan worden aangegeven met sterretjes, streepjes of getalletjes en geven een suggestie hoeveel de hagelkolom 'geknepen' zal worden. Hadden vroeger de meeste lopen een fabrieksmatige choke die je niet meer kon veranderen, sinds enige tijd zijn verwisselbare chokes, vooral in de superposés 's, normaal.

De tegenwoordige veel gebruikte alternatieven bismut en staal, soms ook tungsten matrix (wolfraam) reageren ieder op hun eigen wijze op een vernauwing. Zo is het mogelijk dat bismut/tungsten en staal met dezelfde kwartchoke respectievelijk schotbeelden opleveren van cilindrisch en fullchoke! Voordatje een patroon in grotere hoeveelheden aan gaal schaffen is het wel goed te weten wat er van het hagelschot te verwachten is! Oberfell en Thompson hebben in 1964 een methode bedacht om na te gaan wat de samenhang en de kwaliteit van de spreiding van de hagel is. Deze proeven leveren een aanwijzing op voor de prestatie van een bepaalde choke/ hagelcombinatie. Zoek je dat met proefschoten uit, dan kan in werkelijkheid een door de fabrikant opgegeven halfchoke zowel een kwart- als een driekwartchoke- veldeffect hebben. Het resultaat in het jachtveld (en daar gaat het om) noemen we daarom de 'veldchoke', die per hagelsoort aanmerkelijk van de fabrieksmatige choke af kan wijken. De onderzoekers gingen uit van een standaardafstand van 40 yard (36,6 meter), voor de verdere beoordeling werden cirkels gebruikt van 30 (76 cm) en 5 inch (12,5 cm - uitleg hieronder).

Maken van schotbeelden

Tegenwoordig zou in Europa eerder 30 meter als standaardafstand overwogen kunnen worden. Dit vanwege de toenemende overschakeling op bismut (soms tungsten matrix) en staal. Voor het maken van de schotbeelden bevestig je papieren schijven van één bij één meter op een raamwerk. Dat zetje op 30 meter vanaf de loopmond en door iets onder het midden van het papier te richten (ieder hagelgeweer heeft een beetje hoogschol) komt het totale beeld, inclusief de afzwaaiers, mooi binnen de randen. Op die 30 meter worden de eerder genoemde cirkels aangepast op 62,5 en 10,5 cm.

Tel het aantal hagelkorrels in de patroon en maak vervolgens op steeds een nieuw papier zes keer een schotbeeld met dezelfde choke en patroon. Trek op het oog een cirkel met een middellijn van 62,5 cm om de grootste concentratie inslagen. Deze cirkel bepaalt de grens waarbinnen je het schot beoordeelt en is de maat voor de berekening van de veldchoke. Tel vervolgens, al aanstrepend, de insla­gen binnen die cirkel. Zo krijg je uit zes schotbeelden een gemiddeld aantal en daaruit bereken je het percentage treffers binnen de 62,5 cm cirkel van het totaal aantal korrels in de patroon (zie schema). De gaatjes buiten de cirkel zijn van de randhagel.

Veldchoke

Een tweede cirkel, die voor de beoordeling nodig is, heeft 10,5 cm middellijn en

is bedoeld om de kwaliteit van het schotbeeld te bepalen. Met hulp van een passer worden deze cirkels waarin geen inslagen mogen zijn binnen de 62,5 cm cirkel aangebracht. Soms kunnen twee van deze cirkels tegen elkaar aan liggen. Dit zijn de zogenaamde 'open gaten'. Deze gaten of ruimtes geven een waardering voor de kwaliteit van de spreiding.

Percentage treffers in de 62,5 cm-cirkel

De veldchoke is dan:

45%

cilindrisch

55%

verbeterd cilindrisch

60%

kwartchoke

70%

halfchoke (modified)

80%

driekwartchoke (improved modified)

Open gaten

In de tabel wordt aangegeven, hoeveel open gaten er normaal te verwachten zijn bij de aangegeven hoeveelheid korrels. Maak je een schotbeeld met een

 

Aantal korrels in 65 cm cirkel

normaal aantal open gaten

100

8-11

150

4-7

200

2-5

250

1 - 3

300

0 - 2

patroon met grove hagel, dan zullen er wellicht maar 100 korrels in de grote cirkel terecht komen en je zou dan volgens de tabel wel tien gaten kunnen verwachten, maar voor die patroon (voor grotere dieren) is dat een goede prestatie. Met fijnere hagel zijn bijvoorbeeld 250 inslagen mogelijk. Voor dat aantal kun je twee gaten verwachten en dit is heel geschikt voor kleiner wild. Blijkt tijdens het eigen onderzoek, dal hel aantal open gaten met een bepaald aantal hagelkorrels minder is dan de tabel opgeeft, dan is de kwaliteit van die patroon in die loop uitstekend en kanzeker tot 30 meter geschoten worden of zelfs verder. Zijn er meer open gaten, clan wordt de dekking, de regelmatige spreiding, onvoldoende voor de afstand en kun je overwegen om minder ver te schieten. Met de kennis van de schotbeelden kan ieder de schootsafstanden bij benadering voor een bepaalde diergrootte bepalen. 

Verschil in effect zachte hagel en staal

Er is verschil in effect tussen zachte hagel (bismut, tungsten) en harde korrels (staal). Zachte metalen kunnen gemakkelijk tijdens het afvuren van de patroon door druk op de prop en tegen de loopwand vervormen en door de luchtweerstand kan zo'n hageltje door de afgevlakte kantjes afzwaaien. Het schotbeeld wordt daardoor ruimer en de korrels hebben minder energie.

De kans dat er meer gaten in dat beeld ontstaan neemt daarmee toe. Het aantal korrels buiten die grote cirkel (de randhagel) zal ook toenemen. Maar op kortere afstand kunnen die korrels nog wel voldoende energie voor een dodelijke treffer hebben, meer randhagel laat zodoende iets meer marge toe in het richten. Maalhagel zal geen vervorming lonen, volgt een strakkere koers en zal daardoor weinig afzwaaiers hebben. Minder randhagel dus. Al snel zal het zo zijn, dat de fabrieks-halfchoke een schotbeeld oplevert dat als veldchoke aan juli doet denken. Het schotbeeld heeft meer inslagen, dichter op één dus dan met zachtere hagel. Er zijn ook minder open gaten. Door de geringere spreiding van de harde hagel wordt nu de indruk gewekt, dat men nauwkeuriger zou moeten schieten.

Schotbeeld kaliber 12, bismut 32 gram, nr. 5, 245 korrels, 131 binnen de grote cirkel,

Dat is ongeveer 54%, oftewel verbeterd cilindrische veldchoke.

Afstand 30 meter, grote cirkel 62,5 cm, kleine cirkels 10,5 cm.

Er zijn vier open gaten, meer dan zeven zou normaal zijn, met andere woorden: prima schotbeeld.

Universele hagelsoort

Overweeg om met een patroon te jagen die een 'normale' hagellading heeft (voor een kaliber 12 is dat 28 tot 32 gram) en probeer één universele hagelsoort voor alles te gebruiken. Het kan dan soms noodzakelijk worden om de schootsafstand (dekking en energie) bij de grootte van het dier aan te passen, maar vaak is het zo dat de energie, indien je een universele hageldoorsnede neemt (tungsten/bismut 5, staal 4), voldoende is op de voor de dekking aangepaste afstanden. Eventueel zou je dus voor grotere dieren dan de vijf jachtwildsoorten grovere hagel kunnen nemen (vos, gans).

Uit vele publicaties (o.a. Brister - VS) en eigen ervaring blijkt dat niet te zwaargeladen patronen, in combinatie met een choke van minder dan een half, over het algemeen een betere dekking opleveren. Daarmee kun je dus verder schieten.

Voor degenen met verwisselbare chokes die het aandurven: ga eens veertien dagen op jacht met in beide lopen voor zachte hagel twee kwartchokes en voor staal twee verbeterd cilindrische.

Bekommer je er niet meer om welke loop je het eerst neemt, ook ideaal voor één trekkersystemen. Mijn overtuiging is dat er meer wild binnenkomt en dat er minder ziekgeschoten wordt!

 Schrijver Jan Smit , janl.smit@wxs.nl

 

 

Opgemaakt door Piet Croughs

© WBE Susteren/Graetheide

Laatste wijziging 23-08-2009